'Trainen, schaatsen en overleven'

De Australiër Colin Coates keerde vorig seizoen terug in het schaatsen als coach. De zesvoudig deelnemer aan de Spelen wil met zijn schaatsers naar Vancouver.

Waarom hing die man met die grijzende krullen hier toch rond, dacht de Franse schaatser Pascal Briand na zomaar een training voor wereldbekerwedstrijden, krap een jaar geleden in Heerenveen. „Hij vroeg of hij mij soms ergens van kende”, lacht Colin Coates in de catacomben van Thialf. „Wist hij veel dat ik vroeger ook had geschaatst.”

Voor generaties schaatsliefhebbers is de Australische zestiger een begrip. Sinds hij in 1968 op de bonnefooi naar Europa kwam, nam Coates zes keer deel aan de Olympische Winterspelen. Hij schaatste tegen Ard Schenk en Kees Verkerk, trainde met Eric Heiden in de zomer voor de Spelen van 1980 waar de Amerikaan vijf keer goud haalde, verzorgde de schaatsen („en meer”) van de Oost-Duitse topper Karin Kania en sloot zijn schaatsloopbaan af in 1988 op de Spelen van Calgary met een dik Australisch record op de tien kilometer. Begin jaren negentig dook hij jaarlijks op langs de Europese ijsbanen als coach van zijn landgenoot Danny Kah, in 2006 keerde hij kortstondig terug rond de Spelen van Turijn. Tot zijn ontmoeting vorig jaar met vijfvoudig wereldkampioen skeeleren Briand. „I’m back in business.”

Al te letterlijk moet dat niet worden opgevat, grapt hij er direct achteraan. Van geld verdienen is als schaatscoach in de marge geen sprake, van pure passie des te meer. „Ik werd vorig jaar door de Australische shorttracker Richard Goerlitz gevraagd om hem te begeleiden, hij wilde naar de Spelen van Vancouver. We arriveerden in Nederland om te trainen en wat gebeurt? Hij pakt zijn spullen en gaat naar huis. Financieel vond hij het avontuur te riskant. Ik niet. Ben je gek. Ik houd ervan om iets te doen in het schaatsen, het is mijn wereld. Eigenlijk ben ik een mafkees. Niemand zou doen wat ik doe. Maar ik doe het.”

Zijn hele leven knoopt hij financieel de eindjes aan elkaar. „Working on shoestrings. Vroeger als schaatser sliep ik in de kleedkamers bij de ijsbaan. De andere schaatsers kwamen uit het hotel en gaven me ’s ochtends wat ze over hadden van het ontbijt. Brood, kaas, vlees. Hoefde ik maar één maaltijd per dag te kopen. Ik kan me drie weken in Inzell herinneren. Elke avond salade, kip en patat. Niet echt voedzaam, wel het goedkoopst. Ik verdiende wat bij door schaatsen te repareren. In Bislett verkocht ik zelfgemaakte T-shirts met afbeeldingen van schaatsers. De fans in Nederland en Noorwegen wisten dat ik alles zelf deed, zonder geld. Ik gold als een special character, was best populair. Zeker bij de vrouwen, haha.”

Nadat hij vorig seizoen met Briand WK allround en WK afstanden haalde, coacht Coates dit seizoen ook de Franse achtervolgingsploeg (Alexis Contin en Tristan Loy en Briand) en de Nieuw-Zeelandse stayer Shane Dobbin. „Tegenwoordig is het financieel iets beter geregeld, ook voor schaatsers uit kleine schaatslanden. We kunnen nu tenminste naar de World Cups in Calgary en Salt Lake City, om ons te plaatsen voor de Olympische Spelen. Maar onze situatie is onvergelijkbaar met die van TVM of Control. TVM stopt er jaarlijks vier miljoen euro in, de Franse bond niets. We hopen nog op een sponsor voor een paar duizend euro. Tot die tijd hebben we geen dokter, geen fysio, niets. We trainen, schaatsen en overleven. Ik ben niet anders gewend.”

De Australische levensgenieter kijkt zijn ogen uit in de moderne schaatswereld. „Alles is veranderd: de hallen, de schaatsen, de pakken. De schaatsers van vandaag zijn popsterren. Toch blijft het wezen van de sport hetzelfde. Zo’n Sven Kramer, die afgelopen weekend in Hamar alles en iedereen aan gort rijdt. Geweldig! Maar of hij beter is dan Ard en Kees? Die waren tactisch en mentaal heel sterk. Ik weet niet of Sven op de Spelen drie keer goud wint. Heiden won er vijf. Niemand weet meer dat hij op de 1.500 meter bijna onderuit ging. Van zulke dingen hangt het straks af. Pech of geluk, toeval kun je nooit uitsluiten.”

Zelf speelt hij al zijn leven lang met het toeval. „Ik begon te schaatsen in Melbourne, op een ijshockeybaantje. Mijn broer werd Australisch kampioen shorttrack bij de junioren, ik volgde hem op. In 1967 deed ik mee aan het nationaal kampioenschap senioren. Ik won en hoorde pas na afloop dat de winnaar naar de Spelen van Grenoble mocht. Ben ik maar naar Noorwegen gevlogen, daar woonden de beste schaatsers. Die enorme ijsbaan van Hamar, bochten van honderd meter, rechte einden van honderd meter. Zoiets had ik nog nooit gezien.”

Coates trof er Schenk, Verkerk en de beste Noren. „Aan de Noorse coach Tenman vroeg ik wat hij van me vond. ‘Je bochten zijn goed, maar het rechte eind is bagger.’ Op de Spelen reed ik mijn eerste wedstrijd op de langebaan: 41ste op de 500 meter in 43,6. Tweede race, 1.500 meter: 49ste in 2.16. Daarna ging door naar Gotenburg voor de WK allround: ergens in de twintig. Ik dacht: dit ga ik proberen. Toen was ik schaatser.”

Vier jaar later reed hij in Sapporo, waar Schenk drie keer goud haalde, een onvergetelijke rit op de tien kilometer tegen Verkerk. „Hij haalde me twee keer in. Bij het ontbijt hadden we afgesproken dat ik hem zou gangmaken. Kees pakte zilver, ik werd achttiende. Dat jaar besloot ik na de Gouden Schaats in Inzell om de zomer in Nederland te blijven. Ik stelde mezelf een doel: de laatste zestien halen op een WK allround. Anders zou ik stoppen. In 1973 in Deventer werd ik dertiende. Mijn volgende doel was een medaille winnen. Innsbruck 1976 werden mijn beste Spelen: zesde op de tien kilometer, achtste op de 1.500 meter, tiende op de 5.000, elfde op de 1.000. En ik ben twee keer vierde geweest op de tien kilometer bij de WK allround. In 1976 in Heerenveen miste ik het brons op 15 honderdsten. Ik heb goede races gehad en slechte, goede Olympische Spelen en slechte.”

Kenners zeggen dat de ijzersterke Coates er meer had kunnen uithalen. „Oké, ik was een beetje een party boy. Ik heb veel lol gehad, misschien iets te veel. Mijn resultaten waren daarom misschien niet zo goed als had gekund. Maar door de sport heb ik vrienden gemaakt. Veel van die vrienden heb ik nog altijd. Dat is voor mij de waarde van alles. In de schaatswereld hebben ze respect voor me, al die grote coaches en schaatsers. Ze weten hoe ik kon afzien.”

Legendarische verhalen genoeg. „Pijn bestaat niet. De geest is het sterkste onderdeel van je lichaam. In 1977 sneed ik mijn achillespees van 85 procent doormidden bij een training in Heerenveen. Ik heb daarna gewoon wedstrijden gereden, had niets in de gaten. Bij de start dacht ik: shit, dit doet pijn. Maar je kunt niet stoppen. Het bloed gutste na afloop over mijn schaatsen.” Zes weken na de operatie reed hij de WK. „Na twee rondjes op de vijf kilometer zakte ik haast door die achillespees, maar ik plaatste me voor de tien kilometer. Daarna kon ik vier maanden niet lopen.”

Drie jaar later redde wilskracht zijn leven, tijdens een beklimming van de Marmolada in Italië. „Toen had ik dood moeten zijn. Ik zakte tot mijn enkels weg in de sneeuw, tot mijn knieën, tot mijn heupen, en schoot zo de spleet van de gletsjer in. Die ene seconde duurde drie kwartier. Je hele leven schiet voorbij. Goodbye cruel world, dacht ik. Toen ik bij bewustzijn kwam, bleek ik 35 meter naar beneden te zijn gevallen, bovenop een ijsschots. Ik brak beide armen, de botten hingen eruit. Mijn gezicht lag helemaal open. Ik probeerde de botten terug in mijn arm te duwen, deed er sneeuw op om te verdoven. Maar ik verloor snel veel bloed.” Hij werd op het nippertje gered door zijn Friese vrienden Roelof en Rudy de Leeuw, eigenaar van de sportzaak in Thialf. De Duitse dokter stond versteld van zijn polsslag. „Zeventig, vrij normaal. Sportman hè.”

Het ongeluk kostte hem de Tour de France, waaraan hij als wielrenner in de ploeg van zijn vriend en trainingsmakker Eric Heiden had willen deelnemen. Drie jaar later won Coates de Noorse klassieker Trondheim-Oslo. „Dat was 560 kilometer, als eerste ooit kwam ik onder de vijftien uur. Helemaal alleen. Zo koud! Het water in mijn bidon bevroor. Ik wist niet dat er verversingsposten waren, deed maar wat. Dan stak ik een handvol Midalgan in mijn broek. Eindelijk warm, maar comfortabel?”

Twee jaar later reed hij in tachtig dagen om de wereld. „Met in mijn buik een cyste van vijf kilo, bleek bij een operatie achteraf. Bovendien miste ik mijn linkernier. Ach, als je niet beter weet, doe je het gewoon. Al kon ik daarna veel beter ademen. In 1988 reed ik in Calgary totaal ongetraind 14.41 op de tien kilometer, 31 seconden sneller dan ooit. Had die cyste er in 1972 maar laten uithalen, ben je geneigd te denken. Maar zo zit ik niet elkaar. Als ik mijn leven mocht overdoen, deed ik het precies zo. ‘Je zou er een boek over moeten schrijven’, zeggen mensen als Henk Gemser of Leen Pfrommer. Misschien moet ik dat nog eens doen.”