Tot het contract ons scheidt

Naarmate het aantal huwelijken afneemt, stijgt het aantal samenlevende stellen.

Maar samenwonenden leggen nu ook graag vast wat na de relatie moet gebeuren.

Stel, vrienden van je gaan samenwonen. Ze zijn allebei halverwege de twintig. Vrienden van hún vrienden – die al veel langer bij elkaar zijn – gaan een jaar op reis. Dat komt mooi uit: kunnen jouw vrienden in hun huis wonen. Want stel nou, dat het níet goed gaat. Zo kunnen ze testen hoe het samen bevalt, zonder straks de inboedel weer te moeten verdelen. Ideaal, vindt je vriendin.

Een ander stel, een andere situatie. Hij werkt al een paar jaar, zij is bijna afgestudeerd. Die twee gaan kopen, want ze weten zeker dat het goed zit. De één heeft alleen een studieschuld, de ander al een huis om te verkopen.

Bij de notaris laten ze vastleggen dat, nou, stel je nou voor dat het toch uitgaat, dat ze dan alles verdelen. De studerende dame krijgt eenderde, de werkende jongen tweederde. Van alles. Van het huis, maar ook van de inboedel. „We willen dit gewoon goed regelen”, verzekeren ze. Want ja, zij studeert nog, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat ze zonder meer op straat wil staan, als, als, stel nou dát.

Dit zijn twee voorbeelden van de manier waarop we onze afhankelijkheid van elkaar organiseren. Die manier is aan het veranderen. Zo wonen steeds meer mensen samen zonder uiteindelijk te trouwen. De cijfers onderschrijven dat. Vorig jaar was nog 81 procent van de ‘samenwoners’ getrouwd. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voorspelt dat dat in 2050 nog maar 69 procent is, terwijl het aantal stellen in Nederland gelijk blijft: rond de vier miljoen.

We trouwen minder, maar dat betekent niet dat we geen afspraken willen maken. Integendeel: ruim de helft van die niet-getrouwde stellen heeft een samenlevingscontract laten afsluiten. Dat zegt Jan Latten, hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is betrokken bij CBS-onderzoek naar gezinsvorming, en noemt de ‘nieuwe zakelijkheid’ een gevolg van de „hyperindividuele manier waarop we onze relaties tegenwoordig vormgeven”.

Het aantal mensen met een samenwooncontract stijgt ook, stelt Latten – precieze cijfers daarover kan hij nog niet geven, omdat morgen het CBS met de nieuwste versie van onderzoek komt naar de gezinsvorming in Nederland. De trend is echter duidelijk: samenwonen zonder te trouwen is inmiddels één van de geaccepteerde relatievormen.

„Relaties zijn steeds meer onderworpen aan individualisering en rationalisering van de samenleving”, aldus Latten. Individualisering is een ontwikkeling die al tientallen jaren bezig is. Het resultaat daarvan is nu dat mensen geen ‘zorgplicht’ meer opgelegd willen krijgen, vanuit overheid of kerk. Daarom sluiten stellen steeds vaker een ‘bilaterale’, op maat gesneden overeenkomst met elkaar, waarover alleen zij iets te zeggen hebben. Latten: „Natuurlijk zijn ook die contracten vaak standaard, maar als ze wíllen, kunnen stellen er de gekste dingen in afspreken.”

Ook die nieuwe zakelijkheid is aan wetmatigheden onderwerpen, legt mediator Gea van Klompenburg uit. Zij ziet dat stellen sneller geneigd zijn afspraken te maken als er ook werkelijk iets te verliezen valt. „Zodra er voor één van beiden vermogen in het spel is, laten mensen vaak vastleggen wat naar wie gaat.” Mensen zijn gehecht aan hun eigen meubels of hebben al meer bezit opgebouwd – de opbrengst van een verkocht huis uit een eerdere relatie, bijvoorbeeld.

Hoe ouder het stel, hoe vaker ook de gang naar de notaris; het leven op een roze wolk is voorbij, een eerste serieuze relatie heeft geen stand gehouden. Hierdoor weet één van de twee hoe het is om spullen te moeten verdelen. En door die ervaring vertrouwt men minder op zijn gevoel. En zodra er kinderen in het spel zijn, zijn er ook vaker afspraken – onder meer over alimentatie.

En samenwonen mag dan nu, als gevolg van het hyperindividuele denken, een maatschappelijk geaccepteerde vorm zijn, dat maakt de relatievorm nog niet gelijkwaardig aan trouwen. Uit onderzoek blijkt ook dat mensen die er niet voor kiezen om te trouwen, eerder uit elkaar gaan.

Het nadeel van de keuzevrijheid is die keuzevrijheid zelf, zegt Matthijs Kalmijn, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Tilburg. „Mensen zijn zich bewuster van de alternatieven die ze altijd voorhanden hebben. Daardoor is het commitment bij samenwoners al snel minder groot.” Bovendien ligt het scheidingsrisico in Nederland momenteel op een stabiel hoog percentage – dat maakt (ook niet-getrouwde) mensen alerter en sneller op hun hoede.

Of ‘wild’-samenwoners op hun beurt weer sneller uit elkaar gaan dan stellen met een samenwooncontract, daar is in Nederland nog geen onderzoek naar gedaan. Al zou dat wel logisch zijn, zegt mediator Van Klompenburg, want vaak kiezen partners pas voor een officiële overeenkomst als ze een huis gaan kopen, of als er kinderen komen. Dan zijn relaties steviger dan als bijvoorbeeld twee pas afgestudeerden bij elkaar intrekken.

Of er nu afspraken gemaakt zijn of niet, als een relatie tussen samenwoners stopt moeten de bank, de eethoek en de cd’s verdeeld worden. In haar praktijk ziet Van Klompenburg dat het handig is zwart op wit afspraken te hebben, maar dat die het uit elkaar gaan niet altijd gemakkelijker maken. „Het contract is natuurlijk getekend toen twee partners samen het vertrouwen in hun relatie hadden.” Dat vertrouwen zorgt er vaak voor dat afspraken niet heel precies worden vastgelegd. Of in ieder geval: minder precies dan handig zou zijn als het wél misgaat.

Als je een contract sluit, is het dus goed om meer zaken af te dekken dan vooraf nodig lijkt te zijn, tipt Van Klompenburg. En zij ruimt standaard minstens één sessie in om zoveel mogelijk de emoties uit de lucht te krijgen. „Pas als die bedaard zijn en er geen woede meer is, kan een zakelijk gesprek plaatsvinden.”

Dus ook voor exen zonder mediator geldt: eerst moet duidelijk zijn waarom er een einde aan de relatie is gekomen, ook voor degene die het er niet mee eens is. Dan wordt het een stuk gemakkelijker om het eens te worden over materiële zaken.