Moment van woede bracht Jack Rebney roem

De ‘roem’ van internet is onderwerp van diverse documentaires op het IDFA. Ben Steinbauer maakte een film over ‘The Angriest Man Alive’, een humeurige tv-presentator.

Het was een snikhete zomerdag in 1989 en het stikte van de muggen. Geen dag om een reclamefilm voor kampeerwagens van het merk Winnebago te maken. Zeker niet als je slecht gehumeurd bent, zoals presentator Jack Rebney. Steeds zijn tekst kwijtrakend, meppend naar muggen, vloekend en tierend, werd het een lange, nare en zweterige opnamedag.

De cameraploeg maakte een videotape van de vuilbekkende Rebney om de opdrachtgever te laten zien dat er met hem niet te werken viel. Die tape werd een viral lang voordat internet bestond. Mensen kopieerden hem grijs, Rebney werd een cultfiguur. Met YouTube kwam die cultus rond de ‘Winnebago Man’, of ‘The Angriest Man Alive’, met een muisklik binnen het bereik van miljoenen.

Winnebago Man, het debuut van documentairemaker Ben Steinbauer, gaat over een „nieuwe soort beroemdheid”. Ongewenste beroemdheid vaak. In een wereld van veiligheidscamera’s, mobiele telefoons en YouTube kan elke uitbarsting, dronken escapade, blunder of struikelpartij een dag later op het web staan, met meesmuilend commentaar. Websites als GeenStijl parasiteren op deze Schadenfreude, die internet maakt tot een hybride van freakshow en schandpaal. Steinbauer zocht voor zijn documentaire eerst ook andere slachtoffers van YouTube. Zoals de Star Wars Kid, het dikkerdje dat stiekem werd gefilmd terwijl hij een Yedi met lichtsabel naspeelde. Het werd de viral van 2003 met 14 miljoen hits. Minder bekend: er volgde ook een pestcampagne op school, een psychiatrische opname en bijna een rechtszaak.

Maar Steinbauer beperkte zich tot de Winnebago Man, die als een kluizenaar op een berg in Noord-Californië bleek te leven. De 76-jarige Jack Rebney was sinds 2005 op de hoogte van zijn beruchtheid, maar deed zichzelf eerst voor als een soort zenmeester die, in de woorden van Steinbauer „twintig jaar op groene thee had geleefd”. Dertig jaar had hij gewerkt bij het CBS-journaal, waar hij was gestopt uit walging over het oprukkende infotainment. Zijn huidige cultstatus maakte hem woest, maar hij stond machteloos.

Steinbauer worstelt in beeld met de vraag hoe hij Rebney’s verhaal kan vertellen zonder hem opnieuw publiekelijk te vernederen. Hij neemt hem mee naar een ‘Found Footage-festival’, waar Rebney onwillekeurig toch opzwelt van trots als hij een fanclub blijkt te hebben. „Hij is ieders favoriete boze opa”, zegt één van hen. Rebney heeft inmiddels een website en benut zijn roem om eloquent kritiek te spuien op het moderne leven: afgelopen weekeind nog telefonisch op het IDFA.

Winnebago Man gaat niet over „het socialiseren van een kluizenaar”, zegt Steinbauer. Hij hoopt Rebney te „humaniseren” van tierende idioot tot man met verhaal. Hij geeft zijn internetroem zo’n positieve draai dat het bijna lijkt alsof hij zijn schuldgevoel over dit soort filmpjes afkoopt. „Iedereen heeft wel eens een rotdag zoals Jack Rebney. Kijkers identificeren zich daarmee. Zulke filmpjes maken ons misschien toleranter ten opzichte van afwijkend gedrag.”

Rebney is een dinosaurus in het digitale tijdperk. Andere documentaires op het IDFA richten zich op jongeren die krampachtig proberen op te vallen in de dagelijkse tsunami van weblogs en filmpjes. Het meest onheilspellend is We Live in Public, een portret van internetprofeet Josh Harris. Hij verdiende in de wilde jaren negentig 80 miljoen dollar met een chatroom en verbraste dat met bizarre projecten. Zo pionierde hij met streaming video in de extreme Big Brother-variant Quiet: we live in public. Vlak voor de millenniumwisseling sloot Harris honderd trendy New Yorkers een maand op in gestapelde containerwoningen vol camera’s, met schietbaan en ondervragingsruimte. Na vier weken liep het experiment uit in benauwende hysterie en onttakeling: precies waarop Harris hoopte. Hij hing vervolgens zijn eigen huis vol camera’s om de wereld getuige te laten zijn van zijn toiletbezoek en ruzies met zijn vriendin, die geen publieke seks wenste.

Dat Harris failliet ging en voor zijn schuldeisers naar Ethiopië vluchtte, gun je deze megalomane, misantropische bullebak. Maar documentairemaker Ondi Timoner, die zijn strapatsen vastlegde, lijkt in deze ‘Andy Warhol van het dotcomtijdperk’ een profeet te zien. Harris meent dat internet onherroepelijk privacy wegvaagt. Via chatrooms, Facebook of Twitter voelen miljoenen zich geroepen hun zieleroerselen te delen. Straks wordt het verdacht iets achter te houden, eindstation is de absorptie van elke individualiteit in een collectieve ervaring.

Steinbauer ziet het zo’n vaart niet lopen. Internet verandert ons ook positief: digitale vriendennetwerken maken een eind aan de eenzaamheid. Een schrale troost voor de Star Wars Kid.

Meer voorbeelden van webroem op nrc.nl/kunst