Langs de rand van de afgrond

Ik heb de gokker in zijn ziel gekeken – de echte gokker. Het gebeurde zaterdagavond in Tuschinski waar de nieuwste documentaire van John Appel in première ging, De Speler.

De film begint met de enige brief die hij ooit van zijn vader kreeg. De goklustige vader maakt de zoon deelachtig van een onfeilbaar systeem. Maar het is niet het doorgeven van een formule voor geluk. Anders was de vader niet zo berooid gestorven.

Arm of rijk, de echte gokker sterft eenzaam. Maar wel in het besef dat hij het sullige dagelijkse bestaan vooruit is gebleven. De gokker scheert langs de rand van de afgrond. En als hij over het randje kiepert blijft hij onbewogen in het verlies. De inzet van de echte gokker is niets minder dan zijn eigen leven.

In Tuschinski werd ik overvallen door een vlaag van zelfreflectie: ben ik een gokker?

Ik ben bang van niet. Ik mag wel eens een vijfde staatslot kopen, en zelfs dat laat ik over mijn eega.

Transacties op de beurs zijn in handen van experts. Die mij in de crisis van vandaag een ziek hoofd bezorgen. Aan de deur koop ik wel eens kinderpostzegels.

Was ik een gokker toen ik in de topsport stapte? Ik twijfel.

Om iets achter de hand te hebben indien de jongensdroom zou mislukken had ik een opleiding afgemaakt – hoe burgerlijk en verstandig.

De echte dromers leefden al in hun pubertijd als professionals in een zekere toekomst. De meeste dromers zijn als dromer pijnlijk mislukt, of ze zijn ergens in een diepe slaap blijven hangen.

Topsport is op zijn mooist als er stevig gegokt wordt. Als het spel gespeeld wordt met een even goddelijke als godslasterlijke inzet. Dan pas is het spektakel te pruimen voor de toeschouwer. De speler denkt daar heel anders over. Die speelt liever beheerst, saai, op zeker. Er moet gewonnen geworden. Dat is alles.

Katterigheid is de meest voorkomende gemoedstoestand van de liefhebber.

Bernard Hinault was een bluffer maar geen gokker. Zijn macht was te groot. Ik denk niet dat het ooit in beeld is gebracht, maar ik heb eens een groots moment met een kleine Hinault meegemaakt. Het moet de Tour van 1984 zijn geweest.

Afdaling van de Col de Joux-Plane. Ik zit in het wiel van Bernard Hinault. Hij, en ik dus ook, zijn gelost tijdens de beklimming. Het weggetje is smal en kronkelig; steenslag in de bochten.

Hinault laat zich ‘vallen’ als een gek. Wanneer hij omkijkt zie ik af en toe zijn rode, paniekerige kop. Bang voor tijdverlies is hij, niet bang de risico’s.

Het gaat hier werkelijk om leven of dood.

Maar ik laat hem niet gaan. Tegen het achterwiel van Hinault doorleef ik de poëzie van de totale onverschilligheid. Ik ben een echte gokker.