Islamonderzoeker is geen overheidsdienaar

Onderzoek naar moslims richt zich vooral op problemen met integratie. Ten onrechte blijven andere onderwerpen buiten schot, vindt Thijl Sunier.

In twintig jaar tijd is het onderzoek naar de islam in Europa uitgegroeid van een betrekkelijk marginaal thema tot een van de snelst groeiende takken van wetenschap. In vrijwel alle universiteiten in Nederland en daarbuiten zijn onderzoekers op dit terrein actief en veel geld gaat naar onderzoek onder moslims. Daarnaast voeren tal van particuliere onderzoeksbureaus opdrachtonderzoek uit onder moslims. Dit heeft een aantal oorzaken.

Ten eerste wordt de aanwezigheid van moslims nog steeds vooral in verband gebracht met immigratie. De islam wordt beschouwd als een migrantenreligie. Omdat de meeste moslims in Europa hun wortels elders hebben, bestaat de neiging hun doen en laten vooral te verklaren als een in-, en aanpassingsprobleem: hoe vergaat het mensen met een ‘vreemde’ religie in onze samenleving. Overheden willen vooral inzicht in hoe de integratie van deze migranten verloopt. Een belangrijk deel van het onderzoek richt zich dan ook op de vraag hoe overheden daarmee moeten omgaan en tot welke fricties de aanwezigheid van moslims kan leiden.

In de laatste tien jaar heeft het beleid, als gevolg van de aanslagen in Amerika en Europa en de problemen met jongeren in verschillende Europese steden, zich toegespitst op criminaliteit- en radicaliseringpreventie, veiligheid, en een grotere controle op het doen en laten van moslims. Radicalisering onder jonge moslims, confrontaties tussen bewoners in wijken en tal van andere kwesties worden primair beschouwd als integratieproblemen. Europese staten streven ernaar de islam te beteugelen en aan te passen aan nationale omstandigheden. Deze ‘domesticering van de islam’ is een beleidsprioriteit geworden in vrijwel alle landen van Europa.

Vanuit beleidsoogpunt is het misschien begrijpelijk dat overheden primair geïntegreerd zijn in integratievraagstukken en dat zij instrumenten willen ontwikkelen ter voorkoming van radicalisering en criminaliteit, maar onderzoekers moeten niet blindelings deze weg volgen, maar hun eigen onderzoeksagenda ontwikkelen.

Dat gebeurt echter veel te weinig. Slinkende onderzoeksbudgetten dwingen onderzoeksinstituten op zoek te gaan naar alternatieve financiering en zo wordt beleidsonderzoek al snel een van de weinige overgebleven opties. Beleidsrelevantie heeft vooral de afgelopen jaren in hoge mate richting gegeven aan het onderzoek onder moslims. Door het onderzoek te concentreren op een relatief klein aantal beleidsrelevante probleemsituaties, blijft verreweg de grootste groep moslims buiten het zicht van het onderzoek. Eenzijdig probleemonderzoek levert echter een sterk vertekend beeld op over wat zich onder moslims afspeelt en reduceert hen tot beleidscategorieën. Als gevolg daarvan krijgen de ontwikkeling van de islam in Europa en de ervaringen van gewone moslims niet de aandacht van onderzoekers die zij verdienen. Hier doet zich een merkwaardige paradox voor. Terwijl de islam door beleid en publiek wordt beschouwd als de sleutel tot het begrijpen van wat zich onder migranten met een islamitische achtergrond afspeelt, is de ontwikkeling van geloofsbeleving en geloofspraktijk onder moslims eigenlijk geen onderwerp van onderzoek.

Het gevolg van deze wetenschappelijke blikvernauwing is dat belangrijke vragen ten aanzien van de islam in Europa blijven liggen of te weinig aandacht krijgen. Onderzoekers moeten zich veel meer richten op de vraag hoe de islam vorm krijgt in Europese samenlevingen. Uitgangspunt moet daarbij zijn dat de meeste moslims geen migranten meer zijn, maar al lang een integraal onderdeel van de Europese samenlevingen uitmaken, en zijn geïntegreerd. Uitgangspunt moet ook zijn dat religieuze overtuiging in de meeste gevallen geen negatieve keuze is. Dat levert ook voor beleidsmakers belangrijke inzichten op, ook voor de problemen die zich onmiskenbaar voordoen.

Er zijn drie terreinen die in het bijzonder te lijden hebben van een te grote nadruk op integratieproblematiek. Ten eerste moet het onderzoek naar de islambeleving onder jongeren zich niet beperken tot radicalisering en aanpassingsproblemen, maar alle vormen van religiositeit in het onderzoek betrekken. Te vaak wordt alleen gekeken naar moskeebezoek, terwijl voor veel jongeren hun religiositeit op heel andere manieren en met andere middelen vorm krijgt, bijvoorbeeld in muziek en populaire cultuur.

Ten tweede moet het onderzoek naar het dagelijks leven in wijken en de manier waarop gewone moslims de islam inpassen in hun dagelijks leven veel meer aandacht krijgen. Oude wijken staan niet zelden synoniem voor vergaarbakken van problemen. Dat levert een sterk vertekend beeld op. In plaats van snel onderzoek naar problemen, zou er weer meer langdurig wijkonderzoek moeten plaatsvinden. Daar is nu geen tijd en geen geld voor.

Ten derde moet onderzoek gedaan worden naar nieuwe vormen van islamitisch leiderschap. Aan islamitische leiders en geestelijken wordt grote invloed op moslims toegeschreven en ze worden ingezet om problemen op te lossen. Maar ook worden hun activiteiten en denkbeelden met argusogen bekeken en probeert men hun invloed in te dammen. Hun rol is echter van groot belang voor de vraag hoe de islam in Europa er in de nabije toekomst uit zal zien.

Prof. dr. T. Sunier spreekt vrijdag zijn inaugurele rede uit bij de aanvaarding van zijn hoogleraarschap ‘Islam in Europa’ aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.