Een nieuwe soort, al na zes generaties

Het echtpaar Grant volgde 28 jaar lang vinken op de Galapagos-eilanden.

Na zes generaties ontstond uit geïmmigreerde vinken een nieuwe soort.

Het was een te grote vink met een te grote snavel, een buitenbeentje dat in 1981 op het eiland verscheen. Hij kwam aangevlogen van een eiland verderop. En zes generaties later is deze vogel de stamvader geworden van een nieuwe soort. Soortvorming blijkt geen kwestie van eeuwen.

Het befaamde biologenechtpaar Peter en Rosemary Grant beschreef het relaas van de vink gisteren in Proceedings of the National Academy of Sciences. De twee doen al sinds 1973 onderzoek naar de vinken op de Galapagos-eilanden. Charles Darwin beschreef dat die vinken op elk eiland anders zijn. Het geldt als een klassieke onderbouwing van de evolutietheorie.

Het echtpaar Grant merkte en mat elk jaar vinken op het kale en onbewoonde eilandje Daphne Major in het centrum van de Archipel. Al na acht jaar hadden ze meer dan 90 procent van alle vinken op het eiland in handen gehad.

In 1981 vingen de Grants een vink (een middelste grondvink) die veel groter was dan gebruikelijk – genetisch onderzoek wees uit dat het dier van een naburig eiland kwam. Bovendien bleek de grote vogel een hybride: deels grondvink, deels cactusvink.

De vink paarde op Daphne met een lokaal grondvinkvrouwtje dat ook hybride was. Achtentwintig jaar volgden de Grants hun nakomelingen. Die paren nu, in de zesde generatie, alleen nog maar met elkaar. Een nieuwe soort is ontstaan, schrijft het echtpaar. Twee zaken waren beslissend.

Vanaf het eerste uur werkte de zang van de immigrant zijn integratie tegen. Hij schaafde zijn zang bij door naar soortgenoten op Daphne Major te luisteren, maar leerde de roep niet correct. Dat maakte hem, en zijn nakomelingen, minder aantrekkelijk voor lokale vrouwtjes.

Het jaar 2004 deed de rest. Toen was het erg droog en dat bevoordeelde – om verschillende redenen – kleine exemplaren van de grondvink. De afwijkende familie, met haar grote vogels, raakte bijna uitgestorven. Eén broer en zus overleefden. Die paarden met elkaar, en hun nakomelingen leken opeens nog veel minder op de andere grondvinken. En sindsdien paart de familie (niet meer dan zo’n twintig of dertig vogels) alleen nog onderling. Soortvorming heeft geen eenduidige oorzaak, concluderen Grant en Grant.