Delhi voelt zich miskend

Obama ontvangt vandaag de Indiase premier Singh. Hij heeft iets goed te maken.

Want in India is met woede gereageerd op Obama’s reis door Azië vorige week.

Tien maanden na zijn aantreden ontvangt de Amerikaanse president Barack Obama vandaag met veel luister Manmohan Singh, de 77-jarige premier van India, ’s wereld grootste democratie en economische grootmacht in opkomst. En India volgt dezer dagen vol trots de gebeurtenissen in Washington.

Dat is de officiële versie van wat er gebeurt. Maar zo is het niet helemaal. Wantrouwen en scepsis voeren de boventoon in New Delhi. In de zomer van 2005 sloten premier Singh en de vorige Amerikaanse president George W. Bush een historisch akkoord over nucleaire samenwerking. Er werd een streep gezet onder de nucleaire isolatie van kernmogendheid India, zonder dat het werd gedwongen het internationale verdrag tegen verspreiding van kernwapens te tekenen. Maar ruim vier jaar later moet nog altijd worden begonnen met de concrete uitwerking van de overeenkomst.

Er bestaat niet alleen wantrouwen over Obama’s mogelijke intenties India alsnog te onderwerpen aan een vorm van externe controle over zijn kernwapenprogramma. Maar er is ook met woede gereageerd op de verrichtingen vorige week van de Amerikaanse president tijdens zijn eerste rondreis door Zuidoost-Azië. Hij noemde India geen enkele keer toen hij in een toespraak in Tokio uitweidde over de Amerikaanse betrekkingen met Azië. Alsof India geen brede regionale ambities koestert. Alsof het genoegen kan nemen met een plaats op de tweede rang.

Nog veel erger was, in de ogen van New Delhi, de gezamenlijke Amerikaans-Chinese verklaring die een week geleden werd afgelegd na de top tussen Obama en zijn Chinese ambtgenoot Hu Jintao. Daarin staat dat de VS en China „verbetering en groei van betrekkingen tussen India en Pakistan” ondersteunen en dat de beide landen samen willen werken bij „het bevorderen van vrede, stabiliteit en ontwikkeling” in Zuid-Azië.

Buitenstaanders zouden dat kunnen beschouwen als een onschuldige, zelfs positieve verwijzing, maar in India weet men wel beter. Daar wordt de passage uitgelegd als een Amerikaanse vrijbrief voor China om de rol van politieagent in de Aziatische regio op zich te nemen, zoals een van de populaire dagbladen kopte. India is vooral beducht voor buitenlandse inmenging in het conflict met Pakistan om ‘Kashmir’. Elke suggestie in die richting raakt een open zenuw.

De Indiase frustraties gaan veel verder. In economisch en in sociaal opzicht loopt democratisch India ver achter bij eenpartijstaat China. In zijn onmiddellijke omgeving heeft het de afgelopen tijd alleen maar tegenslagen te verduren gekregen. In buurland Nepal kwamen de maoïsten aan de macht, in Birma halen de Chinezen de grondstoffen weg, in Sri Lanka, waar de Tamil Tijgers werden verslagen, is de Indiase invloed vrijwel tot nul gereduceerd.

Aan het westelijke front is de situatie nog uitzichtlozer. Pakistan kan blijven rekenen op grootschalige Amerikaanse hulp, maar het heeft niet langer een geloofwaardige regering, zoals premier Singh afgelopen zondag bij zijn aankomst in Washington vilein opmerkte in een interview met CNN. „Het is niet duidelijk of de president (Zardari) controle heeft over het leger”, zei hij.

Anders dan Washington beschouwt New Delhi de regering in Islamabad al lang niet meer als een betrouwbare gesprekspartner, waarmee zaken kunnen worden gedaan. Donderdag is het een jaar geleden dat de terreuraanvallen op Mumbai, het economische en financiële centrum van India, werden gepleegd. Ondanks herhaald aandringen heeft Pakistan geen enkele stap gezet tot vervolging van de (Pakistaanse) verantwoordelijken. Sterker nog: de terreurdreiging vanuit Pakistan blijft aanhouden.

Dat alles versterkt in India het gevoel dat het vooral op zichzelf is aangewezen. En in feite ook wil zijn. Bij zijn vertrek uit New Delhi zei Singh zondag nogal koeltjes dat India „hoge prioriteit” geeft aan zijn betrekkingen met de Verenigde Staten – wat in diplomatieke taal iets anders is dan de ‘hoogste’ prioriteit. India voelt zichzelf te groot om zich te onderwerpen aan welk buitenland dan ook.

Toch bewijst het nucleaire akkoord van vier jaar geleden dat beide landen dichter naar elkaar toe groeien ondanks hun meningsverschillen. De VS herbergen een grote Indiase gemeenschap, de meeste buitenlandse studenten in Amerika zijn van Indiase afkomst. Tegenover deze Indiase ‘soft power’, staat onder meer de Indiase noodzaak steeds meer wapens in het Westen en met name in de VS te kopen om een geloofwaardige verdediging van het eigen grondgebied op poten te zetten. De eigen industrie is daarvoor onvoldoende geëquipeerd – net zoals de Indiase nucleaire industrie buitenlandse technologie en grondstoffen hard nodig heeft om zich te moderniseren.