Deelder heeft het toch maar gehaald

Jules Deelder is 65 jaar geworden, ongemerkt eigenlijk. De voormalige Rotterdamse avant-gardist viert dat vanavond met een ‘AOW-feestje’.

„Mijn memoires?” Jules Deelder spuugt de woorden met een vies gezicht uit in zijn Rotterdamse stamcafé. „Nee, van dat type ben ik niet. Volkomen onbelangrijke dingen uit mijn jeugd zouden dan ineens voor anderen belangrijk worden? Nou, als ze een biografie willen maken als ik de pijp uit ga, gaan ze hun gang maar. Maar toen Bart Chabot het een tijd geleden aanbood, zei ik: joh, doe mij een lol. Tijdens jouw bio van Brood ging hij dood.”

Jules Anton Deelder is vijfenzestig geworden. Ongemerkt eigenlijk. De schrijver, dichter, performer, deejay en jazzverzamelaar loopt rond met een ‘zekere stijgende verbazing’. „Dat ik het al zo lang volhoud.” Maar aan de andere kant: je bent nooit ouder dan een dag. „Morgen begint alles weer opnieuw. Je leeft in het nu, en dat is altijd nu, dus wat dat betreft word je niet ouder.”

De mijlpaal wordt vanavond gevierd met een speciaal ‘AOW-feestje’ in club Dado. Daar wordt behalve de bundel Vrijwel Alle Verhalen ook een jazzelpee, Deelder 65, gepresenteerd. Dat Deelder nu „gaat trekken van Drees” vindt hij wel wat. Voor het eerst van zijn leven een vast inkomen. „Dat heb ik dan toch maar gehaald.” Maar zijn tijd bedaard uitzitten – dat nooit. „Ik voel mij geen grijsaard en ik ben geen tobber. Ik ben fit, op enige doofheid aan mijn linkeroor na. In dat oor zit een piep sinds ik mijzelf jaren terug bij de opening van een popfestival voor mijn raap schoot met een alarmpistool. Mijn kop sloeg opzij van de knal.”

De haren in het vet, strak achterover gekamd, het gesoigneerd getrimde sikje, de uitgesproken vlinderbril en het scherp gesneden maatpak – ze zijn het handelsmerk van de man met wat wel de grootste bek van Rotterdam wordt genoemd. Er leeft een diep respect onder jongere generaties dichters voor zijn pionierswerk, in een tijd dat podiumdichten een populair genre is geworden. Hij is een onstuimig performer met razende tong, zijn spraakwaterval baldadig kletterend tegen het establishment. Taboeloos zijn z’n vaste thema’s: zijn stad Rotterdam; dat ‘immer in de zeventiende eeuw levende’ Amsterdam; ‘kluppie’ Sparta; de drugs, met name speed; de Tweede Wereldoorlog, het Derde Rijk en de naoorlogse jazz. Maar de laatste jaren brengt hij vooral kernachtig muziekproza dat qua ritmiek zo meevloeit in de jazz.

Dichter zou Deelder worden. Dat wist de in Rotterdam-Overschie geboren Justus Anton Deelder al vroeg, „al viel en valt er geen rooie rotcent mee te verdienen”. Op zijn achttiende debuteerde hij met het gedicht Straat in het Algemeen Handelsblad. Midden jaren zestig trok hij op jazz & poetry-happenings de aandacht van dichter Simon Vinkenoog. Op de manifestatie Poëzie in Carré droeg hij voor uit eigen werk.

Vervolg Deelder: pagina 9

In Deelder zit altijd rock-’n-roll

Op tv, tegen C. Buddingh, zei de 21-jarige debutant „dat hij wel geloofde in die orale traditie”. In 1969 verscheen Deelders eerste poëziebundel Gloria Satoria. In Londen, waar hij een tijd verbleef, vond hij aansluiting bij de populaire punkdichter John Cooper Clarke.

Deelder bekostigde zijn dichtkunst met tal van rare baantjes, als het schoonschrappen van dierenhuiden. Maar er was ook stevig sjouwwerk en het leuren met wafels langs de deuren. Ondertussen liet hij zijn uitgesproken woord horen in jeugdhonken, literaire cafés, op dichtersavonden en festivals. Deelder groeide uit tot een eigenzinnig figuur in de Rotterdamse scene.

Zijn teksten zijn minimaler geworden, constateert hij nu, een gin-tonic in de hand. „Ik heb steeds minder nodig om alles te zeggen. Bijna als spreekwoorden komen de zinnen: eenvoud plus de waarheid als een koe. Pats, zit zo ineens in mijn kop.” Maar verwacht geen diepe zielenroerselen. Heeft hij niet. „Binnen is het donker. Buiten schijnt het licht. Ik ontdekte al heel lang geleden dat het middelpunt van het heelal in mijzelf gelegen is. Al het gekrioel in het vlooientheater beschouw ik met een bird’s eye. Ik heb een zekere distantie van alles.”

Deelder maakte school met zijn compacte dichtvorm. En toch: „Schrijven kun je leren, dichten is een talent. Natuurlijk blijf ik zelf graag dat jonge talent. Maar veel interesse kan ik er ook niet meer voor opbrengen. Dat dichterscircuit kennen we nu wel. En nieuwe poëzie lees ik nauwelijks meer.”

Dat is geen verrassing. „Jazz is my religion”, citeerde Deelder Ted Joans al in de bundel Swingkoning (2006). De jazz heeft de afgelopen tien jaar een nog grotere rol gekregen in zijn leven. Op vanzelfsprekende wijze draait Jules ‘de deejay’ de authentiekste jazz rechtstreeks uit eigen schellak- en vinylcollectie.

Daarnaast is zijn jazztrilogie Deelder Draait (2002), Deelder Draait Door (2003) en Deelder Blijft Draaien (2004) veelgeprezen. Met de New Cool Collective van saxofonist Benjamin Herman ging het het afgelopen jaar in de theaters om jazz en poetry, een bonte versmelting van woord en noot. Deelder, de knisperend moderne jazz met latinelementen duidelijk tot op het bot belevend, bracht muziekgedichten. Of drumde wat mee.

Machtig vond hij het op tournee. Er staat al een nieuwe op stapel. „Dat gemeut in zo’n bus. Ik voel me thuis tussen musici. Dichters zijn meer eenlingen, ik herinner me tamme tournees. Gingen ze toch maar weer naar hun hotelkamer. In mij heeft altijd meer rock-’n-roll gezeten, al bedien ik me van het woord. Ben toch ergens een gemankeerde muzikant.”

De jazzfeel komt terug in de teksten. De kadans, benadrukt Deelder. „Timing is everything. Vóór in de maat. Niet leunend in de afterbeat. Net als de jazzdrums, met de bas er net achter. Dan pas swingt het. Maar beter drie noten of woorden die je echt meent, dan oeverloos technisch vertoon.”

J.A. Deelder - Vrijwel Alle Verhalen (Bezige Bij). De speciale verjaarselpee NCC - Deelder 65 is verschenen in een gelimiteerde oplage van 900 exemplaren.

Het feest vanavond begint om 20 uur, club Dado, Kruiskade 55, Rotterdam en is voor iedereen toegankelijk. Meer inlichtingen: www.dado-rotterdam.nl