Alleen wie het redt, telt mee

Geen enkele regering houdt bij hoeveel migranten er verdrinken, onderweg naar een beter leven in Europa.

Staatssecretaris Albayrak wil dat op EU-niveau regelen.

De Zodiac had achttien mensen aan boord. Zeventien Afghanen en een Turk die de weg niet wist. Op het laatste stukje op de boottocht van anderhalf uur tussen het Turkse Kucukkuyu en het Griekse eiland Lesbos blies de herfstwind ze op de rotsen. Tien Afghanen overleefden. De anderen, onder wie een echtpaar en hun drie kinderen, eindigden in de graven voor de onbekende vluchteling op het kerkhof van Mytilini. Ver van de bloemrijke grafzerken van de Grieken, in de uithoek, bij het vuil.

De meeste graven in dat hoekje dragen geen namen. Alleen nummers. Afghaan 1, Afghaan 5, Afghaan 11. Zo staat met viltstift geschreven op de bordjes die op hun graven liggen: grote molshopen, omzoomd met een rand van bakstenen. Geen naam en geen geboortedatum, alleen de dag waarop ze hier voor de kust verdronken: 29 oktober 2009, 3 oktober 2007, 25 november 2007.

Niemand die hen kent? „Welnee”, zegt een Afghaanse migrant die zeven jaar geleden de tocht vanuit Turkije in een rubberbootje overleefde, en de graven als enige op het eiland nog wekelijks bezoekt. „Niemand die hen wil kennen. Dat is het probleem.”

Hij kan zijn naam niet noemen. Hij verblijft hier al zeven jaar illegaal en klagen over Grieken is dan niet verstandig. Afghanen over de hele wereld kennen hem. Als de enige Afghaan die niet doorreisde naar de rest van Europa maar op Lesbos bleef, is hij nu zelfbenoemd ambassadeur voor bootvluchtelingen op dit eiland. De nabestaanden weten hem na een tragisch ongeluk altijd wel te vinden. Vlak na het nieuws over drenkelingen in de Egeïsche zee komen telefoontjes uit Athene of Rome, en laatst ook uit Rotterdam. Er is altijd wel iemand die tijdens de nacht van de oversteek wacht op het verlossende telefoontje: „Op Lesbos, we zijn veilig.”

Als dat goede nieuws uitblijft, volgen kort daarna ook de telefoontjes uit Afghanistan. Hij vertelt dan wat er is misgegaan. De families vragen hem of hij foto’s kan maken, van het graf, van hun gezichten. Of hij kan vertellen of hun gezichten huilen of lachen. Hij maakt die foto’s. Hij stuurt ze op.

Eén gegeven probeert hij meestal te verzwijgen voor de achterblijvende familie. Dat ze hier tegen de regels van het geloof worden begraven, zonder ritueel, zonder gebed, en met de voeten in plaats van het hoofd naar Mekka. „Dat doet vreselijk veel pijn”, zegt hij. „Als ik een moeder moet uitleggen dat haar kind niet alleen is verdronken maar ook wordt begraven op een manier die zij niet willen, die ik niet wil.”

De migranten die de tocht naar Europa niet overleven, bestaan niet. Geen regering binnen de EU doet moeite hun namen te achterhalen, geen regering weet precies hoeveel er jaarlijks omkomen aan de buitengrenzen van het fort. Toen de Nederlandse staatssecretaris Nebahat Albayrak voor Vreemdelingenzaken vorige week in een debat over vluchtelingen daarop werd gewezen, noemde zij dat „verbazingwekkend”. „We hebben geen idee hoeveel mensen aan de buitengrenzen overlijden. Nu is het aan de landen zelf om voor die registratie te zorgen. Ik wil dat initiatief op Europees niveau regelen.”

Er zijn wel organisaties die tellingen verrichten. Actiegroep United against Racism, knipt de berichten uit lokale kranten en maakt de optelsom. Meer dan 13.000 migranten overleden volgens die telling op hun vlucht naar Europa sinds de start van de telling in 1994. Verdronken na een schipbreuk voor de Spaanse kust van Lanzarote, uitgeput op de reis door de Libische woestijn, gedood door een Griekse landmijn op de grens met Turkije. De lijst is eindeloos.

De families proberen vaak hun doden weer thuis te krijgen, vertelt de Afghaan op Lesbos. „Maar dat gevecht is niet te winnen. Repatriëring kost duizenden euro’s. De reis van hier naar Athene, van Athene naar Kabul: onbetaalbaar. En westerse ambassades in Afghanistan geven geen visa aan de nabestaanden om hun verwanten de laatste eer te bewijzen.”

Dat idee bezwaart hem. Als enige permanente Afghaan op het eiland voelt hij de plicht om namens de families de begrafenisrituelen uit te voeren, en het islamitische gebed te verzorgen bij de begrafenis, als hij op tijd wordt ingelicht. Maar tegen de dwingende restricties van de Griekse wet kan hij niet op. In Griekenland bestaat zo’n schrijnend tekort aan grafplaatsen dat alle graven na drie jaar worden geruimd. De botten worden aan de familie overgedragen.

„Dat is tegen ons geloof. Dat vertel ik ze, maar niemand luistert”, zegt hij. In al die jaren heeft hij niet kunnen achterhalen wat er met de botten van zijn landgenoten gebeurt na het ruimen van de graven. Vernietigd, vreest hij. Alsof ze nooit bestonden.