What will survive of us is love

Toen er voor het eerst gezegd werd dat Balkenende kans maakte op het Europese presidentschap, toen waren we misschien wel een beetje trots op hem en op onszelf: onze premier komt daar toch maar mooi voor in aanmerking. En nu is hij het niet geworden en spreken oppositiepartijen van ‘beschadigd’ en ‘aangeschoten wild’. Een heel merkwaardige toestand: dat iemand in aanmerking komt voor een functie verhoogt zijn status, dat hij die functie niet krijgt, verlaagt zijn status. Zonder dat er feitelijk wat dan ook veranderd is.

Politiek onzinnig, maar psychologisch interessant: de beelden die we van andere mensen hebben en waar die aan onderhevig zijn.

We zijn natuurlijk sowieso niet erg standvastige wezens, wij mensen, maar je schrikt wel eens van je onvermogen om iemand te zien zoals hij is. Het lijkt soms of we de mensen het liefst zien zoals we ze zelf gemodelleerd hebben. Als iemand dood is, wordt dat altijd heel duidelijk, dan weet iedereen ineens zo goed wat de overledene gewild zou hebben of juist niet, en dat stemt altijd geweldig mooi overeen met waar men zelf de voorkeur aan geeft. De doden zijn het niet vaak met ons oneens.

Soms denk je dat het bijbelse gebod, dat we ons geen beelden moeten maken van iets wat in de hemel of op de aarde is, daarop slaat of zou moeten slaan, of óók daarop in ieder geval: dat we ons geen beelden van elkaar moeten maken. Maar zonder beelden leven we bijkans niet.

Op de tentoonstelling in Leuven van de vijftiende-eeuwse Vlaamse schilder Rogier van der Weyden lag een grafbeeld, van een hertogin Isabella – eerlijk gezegd ben ik haar naam nu al vergeten. Maar ze lag er zo typerend voor een grafbeeld uit die tijd, zo recht alsof ze rechtop stond en was neergelegd, maar met liggend geplooid gewaad en zo’n hondje onder haar voeten. Ik dacht aan Philip Larkins beroemde gedicht An Arundel tomb waarin hij schrijft over het grafbeeld van een versteend echtpaar, te zien in een kerk, dat op vergelijkbare wijze erbij ligt, ook met hondjes onder de voeten en waar je, volgens het gedicht, tamelijk onaangedaan naar kijkt, totdat je ineens ziet „with a sharp tender shock” dat zijn ene hand de hare vasthoudt. Omdat ze zo al eeuwen liggen te slijten, en het steeds onbekender wordt wie ze waren, zijn ze min of meer die handen geworden. Een gebaar dat ons ‘bijna-instinct’ ‘bijna waar’ laat zijn: „What will survive of us is love.”

Een bijna-instinct en bijna waar. Niet al te waar dus, het is zo’n typisch niet al te optimistisch Larkin-gedicht. Dat ze zo lang zouden blijven liggen, kon niemand weten en dáárdoor, niet conform een bedoeling of een werkelijkheid, zijn ze nu de uitbeelding van liefde geworden. Omdat dat is wat wij graag zouden willen zien, dat liefde ons overleeft.

Die Van der Weyden-tentoonstelling is daar trouwens in een zeker opzicht ook uitbeelding van: Maria Magdalena, de vrouw die van Christus hield, is op alle schilderijen met gemak de mooiste en liefste en bevalligste figuur. Alsof Van der Weyden iets van zijn eigen liefde, wie die dan ook gold en hoe die liefde er dan ook uitzag, in haar heeft gelegd en daardoor heeft gemaakt dat zijn liefde de eeuwen doorstond.

We zien dat graag, inderdaad. Onwankelbare liefde. Je zou zelf ook wel in steen gegoten willen worden en zo, hand in hand, de eeuwigheid ingaan.

Maar in het echt is alles veel rommeliger en veel minder eenduidig. In het echt weet je soms niet eens wat liefde is en waar die uit moet blijken – niet per se uit het vasthouden van elkaars hand, hoewel dat op momenten iets heel moois kan zijn. Maar een beeld van de liefde is makkelijker dan een geleefde liefde. Zoals een herinnerde liefde of geliefde bijna grijpbaarder is dan een echte. Soms valt het beeld dat je van iemand hebt maar nauwelijks samen met de echte persoon. Concreet kun je dat weleens merken als je iemand onverwacht tegenkomt: even zie je de bekende gestalte als een vreemde, je ziet leeftijd en postuur alsof ze bij een onbekende horen en pas dan verandert degene die je zag weer in degene die je kent, en is het ook meteen weer onmogelijk om zo van buitenaf te kijken.

In je herinneringen is alles te vinden: de gelukzaligste momenten, de innigste verstandhouding, maar ook ergernis, onbegrip, onheusheid. Je kiest zelf wat je je voor wilt houden.

Of is dat niet waar? Soms lijkt alles een constructie. Precies zoals Larkin dat eind van zijn gedicht componeert, die twee hand-in-handliggende figuren bewijzen bijna de waarheid van ons bijna-instinct. Niet helemaal. Want helemaal waar is het niet, onze liefde zal ons misschien helemaal niet overleven, we zijn wispelturige windvanen.

Toch kan zo’n beeld, en de bewoordingen daarbij trouwens ook, wel richtinggevend zijn. Zoals je naar Van der Weydens lezende Maria Magdalena kunt kijken, ze zit op de vloer tegen een houten kastje geleund en is geheel verdiept in haar boek, terwijl om haar heen andere mensen andere dingen doen, en denken: dat is concentratie, zo is lezen en wie iemand zo verdiept heeft gezien en geschilderd, heeft van haar gehouden. Zo ook liggen die twee beelden hand-in-hand, voor eeuwig, en de dagelijkse wisselingen in waardering doen niet meer mee, wat er van ze over is gebleven, wat van ons over zal blijven, is liefde.

Reageren kan op nrc.nl/vos (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)