Promovendus mag zelf kiezen

Plasterk stimuleert de ‘graduate school’ aan universiteiten. Dat betekent een andere manier van promoveren. Niet iedereen is er gelukkig mee.

Alle macht aan de promovendus. Op de negen graduate schools die afgelopen zomer geld hebben gekregen van minister Plasterk (Onderwijs, PvdA), zijn het niet de professoren die jonge onderzoekers uitkiezen om gedurende vier jaar onder hun begeleiding een proefschrift te schrijven, maar selecteren getalenteerde studenten die verder willen in de wetenschap de promotor die hén het meeste aanspreekt.

Plasterk en onderzoeksfinancier NWO keerden in augustus in totaal 7,2 miljoen euro uit aan universiteiten die deze onderzoeksinstellingen naar Amerikaans model hebben opgezet. Vorig jaar gaf hij te kennen tot 15 miljoen euro beschikbaar te stellen voor experimenten met graduate schools. De proef wordt in 2010 met een tweede lichting voortgezet.

De graduate school heeft een jaarlijks instroommoment, waarop een groep nieuwe promovendi aan zijn onderzoek begint. Ze duiken niet meteen de bibliotheek of het laboratorium in, maar volgen eerst gedurende enkele maanden onderwijs. Ondertussen maken ze kennis met de hoogleraren die aan de school verbonden zijn. Daarna kiezen ze de professor en het onderzoeksonderwerp waarmee ze zich gaan bezighouden.

Plasterk benadrukt vooral het belang van onderwijs binnen het promotietraject. „Dat is nu soms nog een ondergeschoven kindje. Begeleiders zijn toch vooral geïnteresseerd in onderzoek. ”

Een van de instellingen die deze zomer geld kreeg van de minister is CentER van de Universiteit van Tilburg, een graduate school die onderzoek doet op het gebied van bedrijfskunde en economie. CentER bestaat al sinds 1991 en hanteert sinds 2004 het ‘twee plus drie model’: studenten die een onderzoeksmaster doen, lopen twee jaar op het instituut rond, waarna de besten aan een driejarig promotietraject beginnen.

CentER is dus geen nieuwe graduate school, maar kreeg toch geld van de minister. Dick den Hertog, vice-decaan onderzoek, denkt dat Plasterk het pionierswerk van zijn instituut heeft willen belonen. Ook Den Hertog moet ieder jaar opnieuw jonge onderzoekers overhalen bij hem te komen promoveren. De selectieprocedure van de studenten die een onderzoeksmater bij CentER willen doen, is zwaar. „We nemen één op de tien aan. Daarvan komt ongeveer 40 procent uit Nederland. Na hun promotie moeten de jonge doctoren weg, de wereld in. Het is niet mogelijk in Tilburg te blijven.”

De oprichting van Angelsaksische graduate schools is een volgende stap in de professionalisering van het promotietraject in Nederland. Dit proces werd begin jaren negentig in gang gezet met de oprichting van landelijke onderzoeksscholen. Binnen deze onderzoeksscholen werken universiteiten op opleidingsniveau met elkaar samen. Door de opkomst van de graduate schools, die meestal verbonden zijn aan slechts één universiteit, wordt het voortbestaan van de landelijke onderzoeksscholen nu bedreigd.

Plasterk zegt dat hij met ‘zijn’ graduate schools niet het oogmerk heeft de landelijke onderzoekscholen te doen verdwijnen, maar dat hij hun bestaan ook niet wil afdwingen. „Universiteiten trekken zich al een paar jaar terug uit landelijke onderzoeksscholen. Ik kan me goed voorstellen dat er een hergroepering gaat plaatsvinden. Dat hoeft geen slechte zaak te zijn”

Daar denken de onderzoekers en promovendi die verbonden zijn aan zo’n landelijke onderzoeksschool anders over. Hun woordvoerder is Tom Zwart, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht (UU) en voorzitter van het samenwerkingsverband van landelijke onderzoeksscholen. Zijn eigen universiteit heeft recentelijk al haar medewerking aan de accreditatie van landelijke onderzoeksscholen opgezegd en haar 2.000 promovendi in zes lokale graduate schools ondergebracht. „Dat is een slechte ontwikkeling”, zegt Zwart. „Alle huidige landelijke onderzoekscholen zijn geaccrediteerd door de KNAW, die een kwaliteitskeurmerk afgeeft. Een dergelijk onafhankelijk keurmerk bestaat nog niet voor lokale graduate schools. Nederlandse universiteiten moeten juist samenwerken, om bijvoorbeeld internationale toponderzoekers aan te kunnen trekken voor gastcolleges.”

Plasterks negatieve houding ten opzichte van de landelijke onderzoeksscholen wordt waarschijnlijk vooral gevormd door zijn eigen ervaringen als wetenschapper, denkt Zwart. „Maar er is sinds hij actief was veel veranderd. Landelijke onderzoekscholen doen al veel van wat hij beoogt met de invoering van de graduate schools. Nu verdwijnen door de nieuwe graduate schools van de minister landelijke onderzoeksscholen, terwijl die al veel van de begeleiding en het onderwijs verzorgen waar het volgens hem op veel universiteiten aan schort.”

Zwart: „Als je een flinke som geld ter beschikking stelt voor graduate schools, zoals Plasterk doet, dan moet je niet raar opkijken als universiteiten hun beleid daarop inrichten.”