Modderen met het moederschap

Hoe gaat een vrouw met kinderwens om met moderne vruchtbaarheidstechnieken?

Primatologe Braffer Hrdy biedt uitstelmoeders en carrièrevrouwen inzicht.

Over een paar dagen wordt Rachel Lehmann-Haupt veertig jaar – zonder man, zonder kind, maar met acht rijpe eicellen, ingevroren en opgeslagen in de fertiliteitskliniek van de universiteit van New York. Ze liggen daar sinds begin 2007 te wachten op bevruchting. Het plan was destijds om van de helft embryo’s te laten maken. Daarom had ze bij de Sperm Bank of California zaad gekocht van een blonde student met, zo stond het in zijn profiel, pokertalent en een zwak voor aforismen. Maar acht eicellen, zei de gynaecoloog meteen na de punctie, was te weinig om in twee groepen te splitsen. In de verkoeverkamer bedacht ze dat ze haar ware liefde misschien toch nog zou vinden. En dan maakte ze liever embryo’s met zíjn zaad.

Rachel Lehmann-Haupt is journalist, voor onder meer Vogue en The New York Times. Ze schrijft Amerikaans snel, met humor en zelfspot, helemaal Sex and the City. Het boek dat ze geschreven heeft over haar ervaringen als ‘uitstelmoeder’ – Baby op bestelling – lees je zo uit. Maar vrolijk word je er niet van. Haar verhaal begint op de dag dat haar vriend Alex hun relatie verbreekt en zij bedenkt dat ze haast zal moeten maken om een vervanger te vinden die kinderen met haar wil. Ze is dan eenendertig. Via datingsites leert ze de ene na de andere man kennen, tot ze besluit dat dit haar doodongelukkig maakt.

Ze onderzoekt alle keuzen die vrouwen tegenwoordig hebben om moeder te worden en dat brengt haar bij de alleenstaande, 53-jarige Karen Lehman (geen familie) in Dallas, moeder van de tweeling Tammie en Taylor. De kinderen, vijf jaar oud, zijn gemaakt uit de eicellen van een aankomende onderwijzeres en het sperma van een blonde muziekleraar van één meter vijfennegentig.

Tammie en Taylor werden geboren in de vijfde maand van de zwangerschap. Toen ze mee naar huis mochten, was de rekening van het ziekenhuis opgelopen tot vijfhonderdduizend dollar. Is Karen Lehman nu gelukkig? „Het is afzien”, zegt ze. „Achteraf besef ik dat ik het prima had gehad als ik kinderloos was gebleven.”

Iedere vrouw, stelt Rachel Lehmann-Haupt na haar zoektocht vast, moet carrière kunnen maken, een partner hebben en moeder worden op de manier die zij wil, met alle mogelijke technieken.

Op een congres van de American Society of Reproductive Medicine, in 2007, hoort ze een klinisch psycholoog vertellen dat een kind in de toekomst best vijf ouders kan hebben: de spermadonor, de eiceldonor, de draagmoeder en de betalende ‘sociale ouders’ die het grootbrengen. Artsen, advocaten en psychologen zullen helpen bij de selectie van het beste genetische materiaal.

Is dat erg? Moet het worden tegengehouden? En kan dat?

In Nederland, waar de maatschappelijke discussie over nut en wenselijkheid van het invriezen van eicellen afgelopen zomer is begonnen, zijn gynaecologen het er over eens dat de techniek voor jonge en nog kinderloze vrouwen met kanker een uitkomst is. Er zijn gynaecologen, Fulco van der Veen van het AMC in Amsterdam voorop, die opgelucht zijn dat ze vrouwen als Rachel Lehmann- Haupt nu iets te bieden hebben. Van bijna de helft van hun patiënten is het enige probleem hun leeftijd.

Met eicelvitrificatie, zoals de techniek heet, zal het gaan zoals het altijd gaat: van het een komt het ander. Dertig jaar geleden waren mensen nog geschokt door de geboorte van Louise Brown, het eerste IVF-kind ter wereld. Nu wordt in Nederland de conceptie van een op de veertig baby’s tot stand gebracht in een petrischaaltje. Het wachten is op een kunstmatige baarmoeder.

Interessant om nu de in april verschenen (en onlangs vertaalde) studie Mothers and Others van de Amerikaanse antropoloog en primatoloog Sarah Blaffer Hrdy te lezen: dat relativeert alle ideeën over hoe moeders zijn, of zouden moeten zijn.

In haar nieuwste boek maakt ze met feiten (zoals: mannen uit jagers-verzamelaarsvolken komen maar vier op de honderd keer van de jacht terug met buit) en vergelijkingen (zoals: anders dan mensenmoeders laten de meeste apenmoeders hun jongen nooit los en kijken ze hen nooit aan) aannemelijk dat mensen mensen werden doordat ze samen de kinderen gingen voeden en verzorgen. Hierdoor leerden ze zich in te leven in anderen, ze ontwikkelden hun neiging tot geven en helpen, ze gingen er op de lange duur door praten en zo groeiden hun hersenen uit tot het enorme brein dat ons zo anders maakt dan de andere dieren op aarde.

Sarah Blaffer Hrdy denkt dat zo’n 1,8 miljoen jaar geleden mensachtige moeders merkten hoe handig het was als ze hun kind even aan oma, een tante of zusje konden geven, of aan vader. Ze rekent voor dat kinderen nooit genoeg eten binnen konden krijgen als alleen hun moeder voor ze zorgde. Ze legt uit hoe kinderen – die zich niet meer konden vasthouden aan hun moeders vacht, want die verdween – contact met hun verzorgers afdwongen door geluiden te maken, naar hun gezichten te kijken, hun uitdrukkingen te imiteren.

En dan de beschrijvingen van de baby’s uit Afrikaanse jagers-verzamelaarsvolken die melk mogen drinken bij hun tante en de buurvrouw. Ze worden gestreeld en gekust, op hun genitaliën en op hun mondje – volwassenen duwen met hun tong soms wat voorgekauwd fruit bij ze naar binnen. Voor mensenkinderen is het kennelijk van levensbelang om naast biologische ouders een aantal hulpouders te hebben.

Met dat in gedachten is goed te begrijpen waarom de Nederlandse journalist Marleen Castelein zo boos en ongelukkig is na de geboorte van haar zoontje Jona. Ze voelt zich bedrogen, omdat niemand haar eerlijk heeft verteld hoe gruwelijk het er bij een bevalling aan toe kan gaan , hoe veeleisend een pasgeboren baby is, hoe vanzelfsprekend het wordt gevonden dat de moeder zich opoffert.

Het boek dat Marleen Castelein erover schreef heet De mooiste tijd van je leven – ze bedoelt dat cynisch. Waar Rachel Lehmann- Haupt zo naar verlangt, is bij haar zo voor elkaar: ze leert Wouter kennen, die wil graag kinderen, ze hakken meteen de knoop door. Rachel Lehmann-Haupt vindt: vrouwen hebben recht op alles wat hen kan helpen om moeder te worden. Marleen Castelein vindt: ze hebben recht op ieders aandacht als ze eenmaal moeder zijn. Je zou bijna zeggen dat ze samen laten zien in wat voor narcistische tijd we leven.

Maar dan gaan we nog even terug naar Sarah Blaffer Hrdy, die in haar boek Mother Nature uit 1999 al afrekende met het idee dat mensenmoeders zich altijd instinctief opofferen voor hun kinderen en dat het ook zo hoort. Een patriarchale mythe, schreef ze.

Misschien zit het zo: vrouwen als Rachel Lehmann-Haupt en Marleen Castelein – goed opgeleid, interessant werk, al wat ouder en gewend aan een spannend leven in de grote stad – weten niet meer dat moeder worden en moeder zijn eigenlijk groepswerk is. Zo jammer, dat eenzame gemodder.