Islamitische kunst staat los van religie

Wil een museum voor islamitische kunst relevant zijn, dan moet het vooral de tegenstellingen in de moslimwereld laten zien en deze niet gladstrijken, vindt Mirjam Shatanawi.

In NRC Handelsblad van 6 oktober hield Bert-Jan van Egteren een pleidooi voor meer aandacht voor islamitische kunst in de Nederlandse museumwereld. Hij is niet de enige: de premier, Nieuwe Kerk- en Hermitagedirecteur Ernst Veen en Job Cohen hebben in het verleden gepleit voor een apart op te richten instituut voor islamitische kunst en cultuur.

De voorstanders van zo’n instituut stellen de maatschappelijke functie voorop; met de presentatie van islamitische kunst kan respect betoond worden aan de moslims in Nederland zodat zij trots kunnen zijn op hun culturele achtergrond. De schoonheid van de kunst kan het publiek bovendien de politieke werkelijkheid even doen vergeten. Dat is een romantisch ideaal, maar is het realistisch? In deze stellingname ligt immers een bij uitstek politiek geladen situatie besloten. Juist omdat in het politieke domein, de regerende partijen niet uitgezonderd, de islam en moslims voortdurend onder vuur liggen, moet de culturele sector dit compenseren door te laten zien dat de moslimwereld wel degelijk grootse artistieke prestaties heeft verricht. Kunst als instrument van symboolpolitiek; de maatschappelijke context wordt even aangestipt, maar de dieperliggende betekenislagen blijven onaangeroerd.

De werkelijkheid is intussen niet zo gemakkelijk buiten de deur te houden. Want met de islam als overkoepelend begrip komen ook kritiekloos de misvattingen van het publieke debat het museum binnen. Op zichzelf heeft het begrip ‘islamitische kunst’ weinig met religie van doen. Het is een term waarmee kunsthistorici de kunsten van het Midden-Oosten en randgebieden in de periode van circa 700 tot 1800 aanduiden. Vakspecialisten stellen inmiddels dat deze in de 19de eeuw bedachte term foutief of zelfs misleidend is, omdat het merendeel van de bedoelde kunstvoorwerpen geen enkele relatie tot het geloof heeft. In de praktijk sluit het begrip ook veel uit. De Turkse kunst maakt er deel van uit via onder meer de Ottomaanse kunst, maar zowel Marokko als Indonesië – twee landen met een bijzonder belang voor de Nederlandse context – vallen er grotendeels buiten. De aanname dat moslims gerepresenteerd worden door islamitische kunst vervalt daarom in dezelfde fout als het islamdebat van de afgelopen jaren; religie wordt als een allesbepalende en verbindende identiteitsfactor gezien. Het is te simplistisch om te stellen dat een Marokkaanse Nederlander zichzelf kan herkennen in islamitische kunst omdat hij moslim is, hoewel deze kunst uit Iran, India of Turkije komt. Bovendien: kan een kunstpresentatie wel ‘nuances’ in het debat aanbrengen als deze tegelijkertijd een van de meest fundamentele stereotypen reproduceert? Is een permanente tentoonstelling van kunst uit moslimgebieden dus niet de moeite waard? Dat is het wel – niet ondanks, maar juist vanwege de verwevenheid van kunst met de maatschappelijke realiteit. Dit vergt een andere manier van kijken. In de discussie in de Tweede Kamer werd een toekomstig instituut voor islamitische kunst en cultuur diametraal tegenover een Nationaal Historisch Museum gezet; uitheemse versus inheemse cultuur. Dat is een schijntegenstelling, want precies op het punt van de Nederlandse geschiedenis hebben de collecties uit en over de islamitische wereld die in de museumdepots liggen veel te bieden. Ze vertellen het verhaal over hoe Nederland in de afgelopen eeuwen naar moslims heeft gekeken, met alle classificatiemechanismen, oordelen en vooroordelen die daarbij een rol speelden. Bijvoorbeeld hoe de islam in koloniaal Indonesië werd vermeden; de islam bood immers een verzetsideologie en was daarmee de vijand. Middeleeuwse spotprenten en christelijke pamfletten tegen de profeet Mohammed laten zien dat Wilders’ film Fitna in een eeuwenlange Nederlandse traditie staat. Door gebruik te maken van die gelaagdheid kunnen de verzamelingen in de Nederlandse musea ons meer inzicht bieden in de lange geschiedenis die aan het tegenwoordige islamdebat voorafging.

In het huidige klimaat liggen de kansen voor zo’n instituut ongunstig, het vergt veel politieke moed om de oprichting ervan te ondersteunen. Laten we toch hopen dat het er ooit van komt en dat de directie buiten de gebaande museumpaden durft te treden. Bijvoorbeeld door haar missie niet op te vatten als eenrichtingsverkeer van de Nederlandse culturele elite richting een moslimpubliek. Want onder de kunstmatige noemer ‘moslim’ gaat een grote diversiteit aan ambities en verwachtingen schuil.

De ene ‘moslim’ is seculier en wil dat geen enkele aandacht aan religie geschonken wordt. De ander zal willen dat de opstelling het orthodox-islamitisch gedachtengoed weerspiegelt; geen afbeeldingen dus. Anderen hopen op meer aandacht voor de Koerdische cultuur of het Berbererfgoed als tegenwicht voor de dominantie van Turkse en Arabische cultuur. Een nieuw initiatief dat maatschappelijk relevant wil zijn, moet beginnen met het blootleggen van deze tegenstellingen, niet bij het gladstrijken ervan onder een eenduidige en dus problematische noemer.

Mirjam Shatanawi is conservator bij het Tropenmuseum en auteur van Islam in beeld.

Donderdag 26 november om 20 uur vindt in het Tropentheater een debat plaats over dit onderwerp. www.framerframed.nl