Hoe vrouwen opstonden om zichzelf te kunnen zijn

Kate Walbert: Vrouwen, een korte geschiedenis Vert. Sjaak de Jong. uitgeverij Ailantus, 222 blz. € 18,95

Dorothy Trevor heeft niet veel rechten, eind 19de eeuw, maar ze mag wel verliefd worden, ze mag studeren als ze haar mond maar houdt en ze mag kinderen krijgen. Vergeleken met de politieke, juridische en persoonlijke vrijheden van haar kleindochter, een eeuw later, is dat bitter weinig. Toch is er meer dat zij gemeen hebben dan slechts hun naam. Het besef dat onafhankelijkheid niet alleen een voorrecht is, bijvoorbeeld, maar ook eenzaam kan maken – het is een trieste vaststelling bij het indrukwekkende Vrouwen, een korte geschiedenis, de derde roman van Kate Walbert.

Vrouwenrechtenvoorvechtster Dorothy Trevor overlijdt in 1914. Volgens velen was haar strijd verraad van het landsbelang geweest. Voor haarzelf gold een ander, groter verraad: ‘Het is moeilijk te denken aan wat ze de kinderen aandoet, aan wat ze hen al heeft aangedaan, aan wat er van ze worden zal zonder haar en zonder hun vader; het is niet voor te stellen. Zal ze hen kunnen uitleggen dat ze niet anders kon? Dat ze enkel haar leven had om te offeren?’

Generaties later geniet haar kleinkind, inmiddels zelf oma, van de rechten waar Trevor voor streed, zoals de mogelijkheid te scheiden van haar echtgenoot. Niet uit wreedheid, maar omdat ze ongelukkig is.

Daarmee is het activisme van toen daadwerkelijk een luxe geworden, een gevoel. Dat is een tegenstelling die Walbert overbrugt, tussen politieke en emotionele emancipatie, maar ook die tussen overwegen en zeggen wat je denkt, recht voor z’n raap. De weg tussen de bespiegelingen van de ene naar de staccato geblogde strijdkreten van de andere Dorothy gaat langs de geforceerde praatgroepen van de jaren ’70 en de ‘anxiety diaries’ van het nerveuze New York van na 9/11. Samen geven ze een beeld van hoe een vrouw, een mens, alleen kan zijn, hoe zij méér kan willen, in opstand komt. Dat is een prestatie, omdat Walbert geen droge documentaire verteltrant hanteert, en evenmin op het sentiment mikt.

Haar hoofdstukken wijdt ze telkens aan een van de twee vrouwen. Ze is geestig, en laat de grote geschiedenis naadloos samengaan met de kleine, en die twee botsen keihard. Zo is het niet meer dan menselijk dat de oorspronkelijke Dorothy in haar stervensroes vooral stilstaat bij haar grote, buitenechtelijke liefde. Uiteindelijk doen de redenen en de rechten er namelijk niet toe. Als in het laatste hoofdstuk de dochter van de eerste Dorothy aan haar terugdenkt, dan herinnert ze zich haar niet als zelfstandige vrouw, niet als de persoon die haar verweesde, maar als moeder. Ze zijn terug in 1914, op een hospitaalbed – alleen.

Daan Stoffelsen