Hockeymaffia gijzelt Nederlandse topsport

Het is een van de fraaiste termen uit het Nederlandse sportvocabulaire: hockeymaffia. Een old boys network in het kwadraat, waarvan de leden elkaar voortdurend en uiterst behendig de bal toespelen. Net zolang totdat de tegenstander buitenspel staat, stampvoetend van onmacht.

Afgelopen week lag de kwalificatie weer op veler lippen, na de voordracht van André Bolhuis tot voorzitter van NOC*NSF. In de wandelgangen klonk nog diezelfde avond gemor. Wéér een hockeyer op het pluche! Nog even en de nationale sportkoepel kan net zo goed worden aangestuurd vanuit het Utrechtse hockeyroversnest. Scheelt meteen een paar centen.

Tegendraads als hij is, huilde Anton Geesink ook ditmaal niet met de wolven mee. Integendeel: de recalcitrante judoreus uit Utrecht is een groot fan van Bolle. Beiden kennen elkaar inmiddels lang en goed genoeg om te weten dat zij geen spelletjes achter elkanders rug moeten spelen. Kortom, een verstandshuwelijk.

Met de (r)entree van de sluwe strateeg Bolhuis wordt de orde hersteld, die Erica Terpstra zes jaar geleden zo bruut durfde te verstoren door een pact te sluiten met de vertegenwoordigers van onder meer de dans- en de sjoelbond. Haar voornaamste slachtoffer: oud-hockeydoelman Ruud Vreeman. In Tilburg kennen ze hem tegenwoordig vooral als de wat ongelukkige voorganger van interim-burgemeester Ivo Opstelten, eveneens een oud-hockeyer.

Vreeman hoeft overigens niet te wanhopen. Als de voortekenen niet bedriegen, komt binnen afzienbare tijd weer een voorname bestuurspost vrij. Waar? Bij de Nederlandse hockeybond. In de bossen rondom nationaal sportcentrum Papendal doet het hardnekkige gerucht de ronde dat de opvolger van Bolhuis, tot komend voorjaar nog altijd de aanjager van het Olympisch Plan 2028, wéér een hockeyer zal worden.

Moraal van dit verhaal? De macht van de hockeymaffia illustreert vooral de onmacht van de rest van sportbestuurlijk Nederland. Of wat daar voor doorgaat.

Mark Hoogstad