Vrouwen doen Frans

Vrouwen hebben geen wiskundig inzicht. In landen waar dat vooroordeel sterk is, zijn meisjes werkelijk slechter in bètavakken. In Nederland dus ook. Margriet van der Heijden

Ook ik. Vier jaar lang studeerde ik natuurkunde. Nog eens vier jaar werkte ik daarna in een groot lab. Ik ijkte scintillatoren met radioactieve bronnen en oscilloscopen, ontwikkelde software, analyseerde meetgegevens, hield voordrachten en schreef – altijd samen met anderen in dat grote lab – papers.

Maar op het beeldscherm zijn de zwarte letters helder: ‘Uw data suggereren een sterke associatie tussen mannelijk en bètawetenschappen en vrouwelijk en alfawetenschappen in vergelijking met vrouwelijk en bètawetenschappen en mannelijk en alfawetenschappen.’

Gewoon direct gezegd: ik vind natuurkunde, mijn eigen vak dus, een mannenvak. En onbewust denk ik ook zo over wiskunde, scheikunde, werktuigbouwkunde enzovoorts...

De Implicit Association Test (IAT) heeft door mijn beredeneerde overtuigingen heen geprikt. Heeft de welbewuste keuzes in mijn leven genegeerd. En heeft verbanden geregistreerd die ergens ver weg in mijn hoofd worden gelegd, zonder dat ik dat kan beïnvloeden.

Wat precies de bedoeling van een IAT-test is.

“Een heel gewoon resultaat”, zegt Brian Nosek een paar dagen later aan de telefoon. Nosek is universitair hoofddocent psychologie aan de Universiteit van Virginia. Met collega’s Mahzarin Banaji van Harvard University in Boston en Tony Greenwald van de University of Washington in Seattle leidt hij Project Implicit, en beheert hij de bijbehorende website met IAT-tests [zie kader] waaronder de test over geslacht en wetenschap die ik heb gemaakt.

Gewoon?

“Je deelt dit onbewuste vooroordeel met ruwweg 70 procent van de mensen die de test al eerder maakten”, zegt Nosek. Ruim een half miljoen mensen waren dat, uit 34 landen. En ook hún onbewuste idee dat vrouwen meer bij Frans horen en mannen meer bij wiskunde, strookte lang niet altijd met de overtuigingen die zij – naar eigen zeggen – in het dagelijks leven uitdragen.

Hoe sterk die onbewuste vooroordelen over mannen, vrouwen en bètavakken zijn, verschilt per land. IAT-uitslagen van Nederlanders, Hongaren en Chinezen tonen een sterk onbewust vooroordeel dat mannen bèta’s zijn en vrouwen alfa’s. Spanjaarden, Portugezen en Indiërs maken de koppeling tussen mannen en bètavakken juist relatief weinig. Landen als Canada, de Verenigde Staten, Italië, Frankrijk, Rusland en Zweden liggen – oplopend van zwak naar sterker – daar tussenin. Er is geen enkel land waarin het verband niet wordt gelegd.

SEKSEKLOOF

En interessant: in landen waar dat onbewuste vooroordeel sterk heerst, is ook de ‘seksekloof’ groot. Nederland is er een voorbeeld van. Het hoort bij de kleine groep landen waar meisjes slechter scoren dan jongens in TIMMS, de studie die bètaprestaties meet [zie kader]. En het aantal vrouwelijke bètastudenten, docenten en hoogleraren blijft in Nederland ruimschoots achter bij de rest van de westerse wereld.

Daar, in al die andere landen waar de seksekloof (veel) kleiner is, leggen mensen ook een (veel) minder sterk verband tussen mannen en bèta. Het onbewuste vooroordeel en de seksekloof hangen dus samen. Dat liet Nosek eerder dit jaar zien (B. Nosek et al., Proceedings of the National Academy of Sciences, 30 juni 2009).

“Een IAT-test kan heel confronterend zijn”, zegt Naomi Ellemers. Zij is sociale en organisatiepsycholoog en als hoogleraar verbonden aan de Universiteit Leiden.

Zo blijken mensen die een IAT maken, soms onbewust behoorlijk negatieve associaties met etnische minderheden of vrouwen te hebben. Ook als ze racisme en seksisme in hun dagelijks leven hartgrondig veroordelen.

Op de website van Project Implicit wordt de Russische schrijver Fjodor Dostojevski aangehaald die over onze diepste roerselen schrijft: ‘[...] Er zijn ook andere dingen waarvan je zelfs bang bent om ze aan jezelf te vertellen, en elk fatsoenlijk mens heeft een paar van zulke zaken weggestopt in zijn geest.’ Een IAT-test haalt zulke onbewuste associaties, waarmee je het zelf misschien helemaal oneens bent, zomaar boven water.

Dát we onbewust verwachtingen hebben over van alles en nog wat, dat is niet zo vreemd, zegt in Virginia Brian Nosek. Die hebben we nodig. “Een van de verassende inzichten uit allerlei onderzoek is dat we een aanzienlijk deel van ons gedrag helemaal niet bewust aansturen. We reageren voor een groot deel automatisch op de steeds weer veranderende wereld om ons heen.”

Dat is prettig. Als we nieuwe situaties telkens weer vanuit het niets moesten doorgronden, hielden we geen energie meer over voor andere zaken. Alleen: om in een split second een inschatting te kunnen maken, hebben we sjablonen nodig, stereotypes en hokjes. “En juist die worden in een IAT-test onthuld”, zegt Nosek. “De test laat de weerslag in onze hersenen zien van de ervaringen die we een leven lang hebben opgedaan.”

Dat begint, bij wijze van spreken, al met een moeder die uitroept: ‘ik weet niets van techniek’, wanneer zij er niet in slaagt de radio op een andere zender te zetten of een ander apparaat met knopjes te bedienen. En de stereotypes die we daarna uit deze en andere ervaringen onbewust gedestilleerd hebben, zegt Nosek, hoeven niet per se overeen te stemmen met de meer beredeneerde overtuigingen die wij uitdragen of met hoe wij zelf willen leven.

Alleen: indirect hebben ze toch een effect op ons, denkt Nosek. En juist dát effect zou volgens hem de schakel zijn tussen de ‘seksekloof’ en onbewuste vooroordelen over vrouwen en wiskunde.

SECRETARESSE

Toen ik op dat grote lab werkte, in een van de grote gebouwen en als een van de nogal zeldzame vrouwen, vroegen gastonderzoekers me opvallend vaak waar de paperclips lagen, de enveloppen en de pakken A4-papier. Nieuwe onderzoekers kwamen spontaan melden dat het kopieerapparaat was vastgelopen. Maar wat kon ik ze nadragen toen ik zelf ook, in een ander gebouw, de enige vrouw met make-up en een paardenstaart ten onrechte voor de secretaresse had aangezien?

Lastiger was dat collega’s meestal mijn mannelijke medepromovendus erbij haalden als er iets mis was met het onderdeel (de ‘trigger’) van het ingewikkelde en grote meetapparaat waarvoor wij tweeën verantwoordelijk waren. Waren ze bang, geheel onbewust natuurlijk, dat ik zou uitschieten met een schroevedraaier? Het resultaat was in elk geval dat het mij meer tijd kostte om evenveel ervaring op te doen.

Casuïstiek, roepen psychologen nu meteen. Uit één voorbeeld kun je geen conclusies trekken. Maar er bestaat ook serieus onderzoek, en op grond daarvan formuleerde Nosek een hypothese om de samenhang te verklaren tussen de seksekloof en de onbewuste vooroordelen over mannen en bètavakken.

“Het werkt twee kanten op”, zegt hij. De cultuur waarin je leeft, en de ervaringen die je daarin opdoet, kleuren de stereotypes waar je brein gedachteloos, en weinig subtiel, mee werkt. Maar als die onbewuste associaties en stereotypes daarna doorsijpelen in je gedrag – en dus óók: in je houding tegenover anderen – dan bestendigen ze weer de cultuur waarin ze gevormd zijn. Of versterken die zelfs.

Een vicieuze cirkel dus. Waarin vooroordelen leiden tot onbewuste discriminatie, en waarin die subtiele discriminatie dan weer de seksekloof in stand houdt.

BELADEN

“Ik vind het een interessant idee”, zegt Naomi Ellemers. Zij deed onderzoek naar de effecten van subtiele en onbewuste discriminatie op mensen. “Maar ik ben geen expert in IAT-tests”, zegt ze er meteen bij. “En ik kan niet voorspellen wat de uitslag van zo’n test zegt over de manier waarop mensen zich tegenover anderen gedragen.”

Daar zijn sociaal-psychologen ook nog niet uit. Zijn de gemeten onbewuste associaties handig voor eigen gebruik, bij het snel beoordelen van situaties, maar drukken we ze verder grotendeels weg? Dat concludeerde een kritische groep Amerikaanse psychologen begin deze zomer (Journal of Applied Psychology 567, 2009). Zij plozen eerder onderzoek na, zoals waarin de houding van mensen tegenover een zwarte docent was vergeleken met hun uitslag in een IAT-test over ras – en ze vonden geen verband.

Maar in een andere analyse (Journal of Personality and Social Psychology, 97, 2009) suggereert Tony Greenwald dat mensen met een maatschappelijk beladen thema als ras zorgvuldiger omgaan, waardoor in een heldere proefsituatie de vooroordelen niet aan de oppervlakte komen. Dat gebeurt wel in ingewikkelder ‘real life’ situaties, zoals in sollicitatieprocedures of bij medische behandeling op de eerste hulp, schrijft hij, en onderzoek daarnaar toont dat volgens hem ook aan.

Bij wetenschap en sekse speelt die controverse niet zo; het is natuurlijk ook niet echt genant om Frans een vrouwenvak te vinden.

STEREOTYPE

Over het effect dat gedachteloze en subtiele discriminatie op mensen heeft, is het onderzoek wel eensluidend. Prestaties en motivatie gaan achteruit, wanneer mensen niet als persoon worden aangesproken, maar als lid van een groep waarover negatieve verwachtingen bestaan. Sociaal-psychologen noemen dat ‘stereotype threat’.

Concreet: als onderzoekers voorafgaand aan een toets vertellen dat meisjes die toets steevast slechter maken, dan máken meisjes hem daarna ook slechter.

Ook als meisjes voorafgaand aan een wiskundetoets terloops worden herinnerd aan het stereotiepe idee dat zij niet goed zijn in wiskunde, gaan hun prestaties achteruit. En dat gebeurt zelfs als er alleen maar een opmerking wordt gemaakt over hun vrouw-zijn – en als ze zo als lid van een groep worden aangesproken dus.

Die meisjes zijn bij voorbaat al bang dat hun eigen resultaat het negatieve oordeel over de groep straks weer zal bevestigen. Ze voelen als het ware de verantwoordelijkheid voor de reputatie van de hele groep op hun schouders drukken, zo vermoeden sociaal-psychologen.

“Zo wordt een vooroordeel een self-fulfilling prophecy. En zo kan stereotype threat verschillen tussen mensen uitvergroten”, zegt Nosek. “ En ze zelfs maken.”

En die stereotype threat zou er dus voor zorgen dat Nederlandse vrouwen nog altijd liever Frans dan wiskunde kiezen.

GOEDEMORGEN

In de jaren zeventig bleven in een collegezaal bij de studie medicijnen op een dag alle mannelijke studenten weg. Ze wilden zo voor elkaar krijgen dat de hoogleraar die zijn college steevast met ‘Goedemorgen mijne heren’ begon, eindelijk ‘de dames’ zou begroeten. De hoogleraar stak zijn hoofd om de deur, zei: ‘ik zie dat er niemand is’, en vertrok.

In de jaren tachtig klonk dat verhaal ongeloofwaardig ouderwets. Maar toen luidde een hoogleraar natuurkunde een mondeling tentamen met een vrouwelijke student zonder problemen in met de vraag: “Waarom studeert u natuurkunde? U stopt zeker wel aan het einde van het jaar.”

Tegen expliciete discriminatie kun je strijden, maar subtiele en gedachteloze discriminatie is veel hardnekkiger. Ellemers: “Juist omdat je er zo moeilijk de vinger op kunt leggen.”

Hoe kun je een vicieuze cirkel van onbewust vooroordeel tot self-fulfilling prophecy dan doorbreken? “Dat is een lastige vraag”, zegt Nosek. Net als Ellemers wijst hij op het belang van rolmodellen. “Er is onderzoek waaruit blijkt dat vrouwen minder bang zijn voor bètavakken, en er minder negatief over denken, wanneer zij daarover door een vrouw worden ondervraagd in plaats van door een man.” Na de proef ebt dat effect weer grotendeels weg. “Maar als je geregeld rolmodellen ontmoet kun je het vasthouden”, zegt Nosek.

“Want kijk”, zegt hij ook, “We weten inmiddels dat het brein plastisch is. Het is dus aannemelijk dat je ook die onbewuste vooroordelen later in je leven nog kunt bijstellen door nieuwe ervaringen op te doen.”

DISCRIMINEREN

Maar eenvoudig is dat niet. “Mensen verwachten vaak veel van maatregelen, zoals meer vrouwen in benoemingscommissies zetten”, zegt Ellemers. “Ze zien het oordeel van de vrouwen in de commissie als heel betrouwbaar. Omdat ze denken dat deze vrouwen niet zullen discrimineren. Maar ze vergeten dat vrouwen last hebben van diezelfde associaties als mannen. En zo wordt een stereotiep oordeel, uitgesproken door een vrouw, dan als meer valide gezien.”

Het argument waar mannen noch vrouwen meer mee kunnen aankomen, zegt Nosek toch nog maar eens, is dat de bètaprestaties van vrouwen en mannen helemaal biologisch bepaald zijn. Daarvoor verschillen ze te veel van land tot land. “Je kunt toch niet beweren dat Nederlandse vrouwen biologisch anders in elkaar zitten dan vrouwen elders.”

Bovendien zijn meisjes in de Verenigde Staten en heel wat andere landen de laatste decennia steeds beter gaan presteren, zegt Nosek. “Ook zulke veranderingen kun je alleen verklaren vanuit de cultuur.”