Uitsterven mammoeten en mastodonten begon voor komst Clovis-mens

Het aantal mammoeten, mastodonten en andere grote planteneters in Noord-Amerika is tussen 14.800 jaar geleden en 13.700 jaar geleden dramatisch afgenomen. Deze vroege ineenstorting kan niet het gevolg zijn van een plotselinge intense koudeperiode (het Jonge Dryas). Die trad immers pas 12.900 jaar geleden in, mogelijk als gevolg van een meteorietinslag. En de teruggang van de grote zoogdieren had zich ook al ingezet voordat jagers uit Azië, de Clovis-mensen, Noord-Amerika binnentrokken. Vaak krijgen zij de schuld van het uitsterven, ten onrechte dus. Dat concluderen Amerikaanse wetenschappers uit tellingen in aardlagen van sporen van het geslacht Sporomiella. Veel van deze schimmelsoorten hebben de poep nodig van grote gewervelde planteneters om zich voort te kunnen planten (Science, 20 november).

Geoloog Jacqueline Gill (universiteit van Wisconsin) onderzocht 18.000 tot 6.000 jaar oude sedimenten uit de Amerikaanse staat New York en het Appleman Lake in Indiana. Het percentage sporen in deze afzettingen neemt vanaf 14.800 jaar geleden snel af ten gunste van stuifmeelkorrels van loofbomen zoals de es en de haagbeuk.

Sporomiella-sporen zijn ook gevonden in vogelpoep, maar volgens Gill kan het afnemen van vogelsoorten alleen de grote verschillen niet verklaren. Zij denkt dat sporenrijkdom in aardlagen een goede indicator is voor de hoeveelheid herbivoren in de millennia na de laatste IJstijd. Voor die tijd leefde in Noord-Amerika een arsenaal aan grote zoogdieren dat niet onderdeed voor de megafauna van nu op de Afrikaanse savannen. Tegen 13.000 jaar geleden waren 34 geslachten van deze grote zoogdieren uitgestorven.

De jongste fossielen van grote olifant-achtigen, maar ook van reuzenluiaards en reuzenbevers dateren van tussen 13.300 en 12.900 jaar geleden. Dat zou stroken met 13.000 jaar oude Clovis-speerpunten die zijn ontdekt in de Amerikaanse staat New Mexico, maar Gill laat nu dus zien dat het uitsterven van de grote dieren al ver voor die tijd begon. Recent komen er steeds meer aanwijzingen dat Noord-Amerika al voor de Clovis-tijd bewoond was. Dennis Jenkins van de universiteit van Oregon meldde april vorig jaar in Science de ontdekking van 14.300 jaar oude menselijk DNA in gefossiliseerde poep in de Paisley Caves in Oregon. Afgelopen week rapporteerde hij over benen werktuigen uit dezelfde grotten, volgens koolstofdatering 12.300 jaar oud. Dat komt neer op een werkelijke ouderdom van 14.230 jaar. Die datering klopt weer wel met een menselijke verantwoordelijkheid voor het uitsterven. Michiel van Nieuwstadt