Twee vaders en zeven moeders

Simone Kramer (1939) is een nakomertje. En haar ouders hadden al kinderen uit eerdere huwelijken. ‘Mijn vader was strenger tegen mij dan tegen de andere kinderen.’

‘Toen ik geboren werd, was mijn moeder 42 en mijn vader 50. Hij had al vier kinderen, zij drie. Ik weet niet hoe ze erbij kwamen om in die ingewikkelde situatie nog een kind op de wereld te zetten, maar ik kwam, en ze waren trots.

„Mijn vader was in 1933 weduwnaar geworden. Zijn eerste vrouw was lang ziek geweest, en de vijf jaren na haar overlijden waren een ramp. Die man werd puur depressief. Zijn oudste dochter moest het huishouden doen, maar dat kon ze niet zo goed. Het was droevig.

„Mijn vader was hoofd van een kleine lagere school in De Meije. Er werkte nog één juffrouw, maar die moest weg als het leerlingenaantal tot onder de 67 daalde. Dan moest mijn vader alles alleen doen. Hij was ‘de meester’ in het buurtschap, een figuur met gezag. Hij legde huisbezoeken af om over de boerenkinderen in zijn klas te praten. Na het overlijden van zijn vrouw schijnen er wel onderwijzeressen naar zijn hand te hebben gedongen. Hij weigerde, want hij was al verliefd op iemand anders.

„Mijn moeders eerste man was de halfbroer van mijn vaders eerste vrouw. Mijn ouders waren dus schoonfamilie van elkaar; hun gezinnen kenden elkaar van familiebezoeken. Toen mijn moeder weduwe werd, vroeg mijn vader haar ten huwelijk. Ze zei nee. Er volgde een pauze. Mijn moeder woonde comfortabel in Den Haag: ze had een kapitaaltje uit de verkoop van de huisartsenpraktijk van haar overleden echtgenoot, en ze was omringd door haar familie. Voor hen was mijn vader maar een onderwijzertje in een boerengat. Maar na een paar jaar schreef mijn moeder hem een brief: ze wilde toch. Eigenlijk was ze gek op die man. Ik ben genoemd naar hun beider dode partners: Cornelia Simone, van Corry en Simon. Een beetje morbide.

„Mijn moeder was een sterke, vitale vrouw. Ze heeft vreselijk haar best gedaan om van al die mensen één gezin te maken. Deels lukte dat, maar ze moest ook vaak de kastanjes uit het vuur halen voor mijn vader. Zo streng als die op school was, zo zachtzinnig en bezorgd was hij thuis.

„Ik herinner me alleen mijn drie jongste zussen als huisgenoten, maar het moeten er meer geweest zijn, zeker toen de oorlog eenmaal begonnen was. Voor mijn gevoel had ik twee vaders en zeven moeders. Ik heb leren lezen en schrijven van Maartje en Marie; zij waren onderwijzeres en kwamen in de oorlogsjaren thuis wonen tijdens hun lange ‘kolenvakanties’. Tegen de tijd dat ik bij mijn vader in de klas kwam, had ik de schoolbibliotheek al uit. Mijn vader was strenger tegen mij dan tegen de andere kinderen. Ik was verlegen en ik had rood haar. Ik werd vaak nageroepen op het schoolplein: ‘Rooie stier!’, ‘Vuurtoren!’

„Het liefst was ik buiten. Op de foto staan we op de weg naast ons huis en de school; het was één gebouw. Daarachter begon het weiland van de buren, en zodra ik over hun hek geklommen was, zat ik in mijn eigen wereldje. Ik hield wedstrijden met fantasievriendinnetjes, en ik mocht elke dag de koeien van de buren ophalen voor het melken. Mijn zus Greetje, de jongste van de tweeling, ging met me fietsen en roeien en testte in de winter het ijs in de sloten uit met mij in haar kielzog. Achteraf snap ik niet dat mijn moeder me zo vrij liet. Ik was een voorzichtig kind, maar toch. Mijn vader wist er vast niks van.

„Ik heb altijd veel verhalen over vroeger gehoord. Mijn broer en zussen spraken er onderling over, en ik ving dat allemaal op. Soms denk ik dat ik iets zelf heb meegemaakt, en als ik dan terugreken, blijkt dat ik toen nog helemaal niet bestond.”

Ooit was dit een strijkerij; nu reiken de boeken tot in het toilet. Haar man beent vrolijk de trap op om aan het werk te gaan. Haar lot uit de loterij, noemt ze hem.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl