Slagveld Laren

Laren is het Nederlandse Monaco. Burgers belagen elkaar via de rechter. ‘Nieuwe rijken maken dit dorp kapot.’

‘Ah, daar hebben we meneer Ten Bokkel Huinink!” Over Steenbergen, een boslaantje tussen monumentale villa’s in het Gooise dorp Laren, komt een heer in waxjas aangelopen, sigaret tussen de vingers van de ene hand, wandelstok in de andere. Verderop besnuffelt een jachthond een struik.

Elbert Roest, burgemeester van Laren, remt en terwijl het autoraampje nog naar beneden zoeft, zegt de wandelaar: „Kijk eens aan! Ik wou net gaan bellen om te vragen of het nu eens besproken wordt, in de gemeente.” Wat bezielt mijn buren, vraagt hij de burgemeester. „Ze zien mijn tuin niet eens, laat staan dat ze er in kunnen kijken.” Hij is „echt pissig”. „Al die obstructie kost de burger handenvol geld en het komt de verhoudingen niet ten goede.” Nou ja, besluit hij, de rechter zal er wel aan te pas komen.

Terwijl hij Ten Bokkel Huinink nazwaait, zegt de burgemeester : „Dit is het nu. Dit is precies het verhaal.” Enkele dagen eerder had hij door de telefoon verzucht: „Er zijn in Laren burgers die elkaar de straat uitvechten.” Nu zegt hij: „Ze hebben elkaar in de houdgreep.” Hij onderbreekt zijn betoog en stopt op de kruising van twee laantjes waar landmeters hun apparatuur aan het opstellen zijn. In wiens opdracht zijn ze aan het werk, vraagt hij. „Dat vermoedde ik al”, zegt hij na het antwoord: „Dit gaat over een grensconflict met de buren.”

Op het gemeentehuis heeft hij ’s ochtends „een probleem” van zijn dorp, een van de rijkste gemeenten van Nederland, uiteengezet. „We leven hier op de top van de Mount Everest”, zo was hij begonnen. Laren is vergelijkbaar met Monaco, Saint-Tropez, „paradijzen op aarde”. Veel burgers zijn vermogend, staan in de Quote 500. „Ze zoeken elkaar op, ook in de zakelijke sfeer, en het is natuurlijk heel plezierig onder elkaar miljonair te zijn, in de schaduw van enkele miljardairs.” Wie veel geld heeft, heeft immers ook een veiligheidsprobleem. En hier profiteert men van elkaars beveiliging. „Op een willekeurige avond rijden er wel twaalf auto’s met particuliere bewaking rond.”

Dankzij de rijkdom van zijn burgers blijft er veel geld over voor een „extreem hoog voorzieningenniveau”. En hij somt op: twee scholen met voortgezet onderwijs, een op Europees niveau opererende hockeyclub, een bibliotheek, een sociaal-cultureel centrum, een theater, het Singermuseum, een geologisch museum, een binnen- en buitenzwembad en een sporthal. En dan heeft hij het nog niet over „het modewinkelbestand in het A-segment”. Dit alles, zegt hij, „met een bevolking van slechts twaalfduizend zielen.”

Maar die rijkdom heeft „helaas een schaduwzijde”. Het aantal aanhoudingen voor rijden onder invloed is ruim twee keer zo hoog als het landelijke gemiddelde. „Er wordt stevig gedronken en men neemt het met de wet niet zo nauw”, zo vertaalt Roest het laatste gegeven.

Maar vooral twee andere kenmerken springen in het oog: grote eigenzinnigheid en grote belangen. Daardoor ontstaat strijd, vaak hard tegen hard. Tussen burger en gemeente, maar vooral tussen burgers onderling. In Laren staat men elkaar, welbespraakt, naar het leven.

Waardoor dat komt? Men is rijk, men tolereert niets. Het moet op mijn manier, die houding. Daarbij staan de huizenprijzen van Laren en omgeving steevast in de topvijf van Nederland. „De percelen zijn vaak groot. Wie daarop één of meer villa’s weet te bouwen, is spekkoper.” Maar de speculant krijgt altijd de buren op zijn dak. De burgemeester zegt het zo: „Partijen gaan zwaar de procedures in. En proberen vervolgens de overheid, die zij zien als ‘flankerend noodzakelijk’, in hun kamp te krijgen.”

De gemeente heeft drie juristen in dienst om zich de burgers van het lijf te houden. „Ongehoord” voor zo’n kleine gemeente, maar nodig „want in dit spel worden soms alle betrokkenen in persoon en vermogen aansprakelijk gesteld”. „Dan ligt er weer een aangetekende brief bij mij thuis op de mat, met een schadeclaim. Bij mij, met mijn 76.000 euro per jaar. Dit overkomt ook ambtenaren. Overigens wordt de gemeente in 90 procent van de gevallen in het gelijk gesteld.”

Toevluchtsoord

Komen tegenwoordig op zaterdag inwoners van Almere en Lelystad Ferrari’s en Maserati’s en bekende Nederlanders spotten op de Larense Brink, aan het eind van de negentiende eeuw waren Laren en het aangrenzende Blaricum nog „haast middeleeuwse dorpjes in de Gooise heidevelden”. In haar boek De wereld in een dorp (1994) beschrijft Lien Heyting hoe, mede dankzij de aanleg van de stoomtram in 1882, in beide dorpen „de Lari-Blarigeest” ging waaien. De dorpen werden toevluchtsoord voor anarchisten, theosofen, kunstenaars en wereldverbeteraars die de materialistische samenleving de rug toekeerden. Ze kwamen af op de landelijke rust – vlakbij Amsterdam, maar toch ver weg – en raakten onder de bekoring van de charme van de traditionele huizen en boerderijen met hun rieten daken.

Ook de armoede, waarin het grootste deel van de bevolking verkeerde, was een magneet. In 1888 schreef Frederik van Eeden over de schilders die de dorpen overspoelden: „Hun schoonheidsgevoel werd het meest bevredigd door de armoedigste huisjes, de meest armelijk gekleede lieden.” De boeren hadden de bedoeling snel in de gaten: „(...) als de schilders komen, weten ze het al en zoeken hun vuilste plunje uit.”

Klinkt Van Eeden ironisch, volgens Louis Couperus die vaak in Laren logeerde, waren de nieuwkomers „zielen die voelen dat er nog iets anders en beters in de wereld is dan geld verdienen en oorlog voeren”. Maar terwijl hij dit schreef, in 1916, was de Lari-Blari-geest al verdwenen. In haar boek haalt Heyting schrijver P.H. van Moerkerken aan, die in zijn sleutelroman De ondergang van het dorp, uit 1913, voorspelde dat Laren ten onder zou gaan „aan de macht van het geld en de cultuurloosheid”. „Hij beschreef hoe grondspeculanten, makelaars, hoteliers en ook kunstenaars het oude dorp prijsgaven aan de ‘vooruitgang’ en hij schilderde de sombere contouren van een toekomstig, materialistisch tijdperk.”

Nieuw geld

„Nieuwe rijken maken dit dorp kapot. Ze respecteren niks, ze hebben geldtekens in hun ogen.” In haar huis, zoals zoveel andere in Laren het voormalige woonhuis en atelier van een schilder, zit Jacqueline Timmerman met een stapel paperassen op schoot. Timmerman is gemeenteraadslid voor de eenmansfractie Liberaal Laren. Naast haar op de bank zit een buurvrouw, die niet met haar naam in de krant wil. Ze is betrokken bij de Stichting Verenigde Kolonie, waarvan Timmermans man Hans voorzitter is. De Stichting beijvert zich voor het behoud van het karakter van de Larense wijk De Kolonie, vernoemd naar de Kolonie van de Internationale Broederschap van Christen-anarchisten, die hier in 1899 door de tolstojaanse idealist Jacob van Rees werd opgericht en die liefde en vrede predikte.

Sinds deze zomer is De Kolonie in rep en roer. Maarten Rutgers gaf opdracht tot gedeeltelijke sloop van de villa Zonnehoek aan de Tafelbergweg in De Kolonie. Hij is medeoprichter van Vermogensgroep, een bedrijf dat de vermogens van ultrarijke particulieren beheert. Rutgers, die zijn bedrijf vorig jaar voor een onbekend bedrag verkocht aan de Zwitserse bank UBS, betaalde 3,3 miljoen euro voor het pand en het perceel van vijfduizend vierkante meter.

Zonnehoek, een in 1917 gebouwde villa in ‘Gooise landhuisstijl’, is sinds 2007 een gemeentelijk monument, dankzij de inspanningen van Jacqueline Timmerman. „Ik zag het nieuwe geld huizen kopen om die vervolgens te slopen en er iets disproportioneels voor in de plaats te zetten. ‘Amoveren’ noemen ze dat.” Laren dreigde ‘klein Brasschaat’ te worden. „Het wemelt hier inmiddels van de karakterloze villa’s met een gladgeschoren gazon eromheen. Hoort u dat geluid? Bladblazers. Herfstblad, daar kan dat volk niet tegen.”

Omdat er slechts een beperkte monumentenlijst bestond, kon de gemeente vaak niets tegen het ‘amoveren’ doen. Daarom stelde Timmerman een lijst met ‘beeldbepalende’ panden samen, waarvan sommige, zoals Zonnehoek, al snel gemeentelijk monument werden. Niettemin kregen Rutgers en zijn echtgenote Marion Doggen na toetsing door de gebruikelijke commissies toestemming tot sloop van een gedeelte van het pand dat zij, volgens Doggen, ‘met drie meter erbij’ weer wilden opbouwen.

Maar zover is het nog niet en komt het misschien ook niet. De sloop werd stilgelegd. Er werden foto’s verspreid van het verminkte monument. De affaire haalde De Telegraaf. Timmerman: „We zijn naar de rechter gestapt, ze waren te vroeg begonnen met slopen. De aanvraag was ondeugdelijk. Ze sloopten meer dan het toegestane deel. Wat verdedig je nog, als er straks geen monument meer is? De gemeente handhaaft de eigen regels niet. Zo krijg je een bananenrepubliek.”

Wat de gemoederen vlak voor de sloop al tot het kookpunt had gebracht, was ‘de kaalslag’ in het Noolse bosje, eigendom van Machiel de Vries, een vriend van Rutgers. Dit aan het perceel van Rutgers grenzende gebied van ruim zesduizend vierkante meter was ooit een kerstbomenkwekerij. Door verwaarlozing groeide het uit tot een „eigen ecologische infrastructuur”, waar behalve reeën, vossen, uilen, eekhoorns en egels ook beschermde vleermuizen voorkomen. Op verzoek van Stichting Verenigde Kolonie schreef Els & Linde, een in natuur gespecialiseerd bureau, een rapport dat concludeert dat het gebied bescherming verdient.

Die mening was ook de gemeente toegedaan. Besloten werd het gebied een bosbestemming te geven, een besluit dat op 4 juli van dit jaar van kracht zou worden, de dag na publicatie in de Staatscourant. Maar op 19 juni klonk het geluid van kettingzagen. De buurvrouw bij Jacqueline Timmerman: „Mijn man heeft mr. voor zijn naam en is van het beheerste soort. Maar hij heeft staan huilen, zo bruut als de dieren verstoord werden. Jonge eekhoorntjes vluchtten moederloos onze tuinen in. Uilen vlogen verschrikt op. De vleermuizen zijn voorgoed weg.” Timmerman zelf: „Mijn man wilde een foto maken en kreeg afval naar zijn hoofd gegooid.” De buurvrouw: „De mijne werd uitgescholden voor eikel.” Timmerman: „Na de kap zijn ze met fourwheeldrive motoren op het terrein komen crossen. Die lieden hebben totaal geen beschaving.”

Beiden zijn ervan overtuigd dat Rutgers en zijn vriend wilden slopen en kappen om villa’s neer te zetten. Timmerman: „Er is bij de gemeente een aanvraag ingediend voor de bouw van zes villa’s. Ik hoorde dat Rutgers zich heeft aangesloten bij Larens Behoud, de partij van wethouder Janssen van Ruimtelijke Ordening en Cultuur. Die partij noemen wij niet voor niets Laren Bebouwd.”

In het Larense huis waar het vijf kinderen tellende gezin Rutgers nu nog woont, zegt Marion Doggen: „We wilden alleen maar drie meter erbij, en twee kleine bijgebouwen achter de villa. In het kerstbomenbosje hebben we alleen maar onderbegroeiing weggehaald, omdat we daar vijf schapen wilden zetten. Hun kooi zou op ons terrein komen. Wat kan daar op tegen zijn? De buren die ons dwarszitten willen dat mijn keuken op het noorden komt, maar ik wil mijn keuken op het zuiden.” Nadat ze nog eens benadrukt „niets verkeerds” te hebben gedaan, zegt ze: „Mijn man wil de strijd wel voeren, maar ik niet. Als dit zo doorgaat, laten we het project wat mij betreft vallen. Mijn gezin is mij meer waard.”

De sloop van villa Zonnehoek is op last van de rechter tijdelijk stilgelegd. Volgens het advies dat de gemeentelijke Commissie Bezwaar en Beroep deze week uitbracht, kan de sloop binnenkort hervat worden, tenzij de rechter anders oordeelt. Burgemeester Roest: „Rutgers heeft de sloophamer wel erg snel ter hand genomen, maar of hij illegaal heeft gehandeld, moet nog blijken.” Wat het bosje betreft lijkt Rutgers volgens Roest „krachtens rapportages van mijn ambtenaren aan de gemeenteraad niets illegaals te hebben gedaan”. „Volgens onze verordening mogen bomen met stammen met een kleinere doorsnee dan vijftien centimeter zonder vergunning worden gekapt. Maar voor sparren geldt een ander regiem. Ook deze zaak is onder de rechter.”

Dat op het terrein is gecrosst, is niet illegaal, „wel erg onhandig, want het jaagt iedereen nog verder in de gordijnen”. Hij zucht: „Daar sta je dan tussenin als overheid.” Hij vreest dat het rondkomen van de bouwvergunning „nog jaren” zal duren. Dat is het spel: vertragen, net zolang tot de ander opgeeft.

Hoofdpijndossier

Net als eerder de burgemeester rijdt ook notaris Martijn Le Coultre het bezoek door het dorp. Weer zijn er landmeters bezig, nu op een andere plaats. In wiens opdracht werken ze? Van meneer Rutgers. „Ja”, zegt Le Coultre schouderophalend, „er is iets met een aanvliegroute van een paar uitstervende vleermuizen.” De tocht gaat langs dicht groen, een koepeltje steekt er bovenuit. Daar woont Reinout Oerlemans. Hij is in een proces verwikkeld met zijn buurman Marc Dreesmann, omdat die zijn terrein wil volbouwen met bejaardenflats. „Wat moet je anders, het ligt aan de A1, alleen hardhorende bejaarden hebben daar geen last van.”

Ook de notaris is verwikkeld in een conflict, misschien wel het slependste, ingewikkeldste en venijnigste van alle conflicten die in Laren worden uitgevochten. Hij heeft nu zestig procedures en rechtszaken lopen, waarover de Raad van State zich telkens moet uitspreken. Bij advocatenkantoor Boekel de Nerée heeft Le Coultre naar eigen zeggen ‘een eigen dossierkamer’. De gemeente Laren huurt een aparte advocaat in, voor drie dagen per week, omdat de ambtenaar die de kwestie-Le Coultre sinds jaar en dag beheerde inmiddels met pensioen is gegaan.

Op een herfstmiddag loopt Le Coultre (50) door de immense tuin achter zijn villa Oranjestein aan de Torenlaan. Hij wijst en citeert uit het vonnis: „Taxussen te verwijderen danwel zodanig op het perceel verspreid planten dat van een driehoeksverband dan wel van een haagverband geen sprake meer is, onder verbeurte van een dwangsom van honderd euro per dag met een maximum van tienduizend euro.” En hij voegt toe: „Laurierhaag: idem dito.” Plotseling houdt hij halt: „Tot hier mag ik mijn gazon maaien, die brandnetels daar moet ik laten staan. ”

„Hét hoofdpijndossier van Laren” (burgemeester Roest) begon met de aankoop, in 1990, door Le Coultre van het totaal verwaarloosde Oranjestein. Er groeide een boom door een van de schoorstenen. „Het huis was de laatste jaren verhuurd geweest aan een sekte die, zo stel ik me voor, nadat iedereen het op alle mogelijke manieren met iedereen gedaan had, uit elkaar spatte.”

De imposante met riet gedekte villa werd rond 1920 in Gooise landhuisstijl gebouwd door de bekende architect Wouter Hamdorff. Le Coultre betaalde „alléén voor de grond, 1,1 hectare groot, honderd gulden de vierkante meter, in totaal dus 1,1 miljoen gulden”. „De villa had een negatieve waarde.” Hij restaureerde het huis nauwgezet volgens de bij het Nederlands Architectuur Instituut (NAI) berustende bouwtekeningen. Glas-in-lood partijen werden gereconstrueerd, smeedwerk teruggeplaatst. In 1998 kreeg Oranjestein de status van rijksmonument. De tuin kreeg dezelfde status, maar dat besluit werd na bezwaar van gemeentewege teruggedraaid.

Daar wringt de schoen. Naar de overtuiging van Le Coultre is ook de tuin ontworpen door Hamdorff en vormt die één ondeelbaar geheel met het huis. En is dus evenzeer monument. Aan de hand van documentatie, foto’s en mondelinge overlevering wil hij het oorspronkelijke tuinplan in oude luister herstellen – met rosarium, kindertuin, prieel, tennisbaan en een berkenlaantje, een hommage aan de schilder Anton Mauve die op deze plek een heidelandschap met berken schilderde.

Dat mag niet. Slechts de directe omgeving van het huis is daarin ‘tuin’. De rest is volgens de begin jaren tachtig vastgelegde bestemming ‘bos en houtopstand’. Bos dat Le Coultre ongemoeid dient te laten.

Bewoners van de belendende Co Bremanlaan verzetten zich, tot nu toe met succes, tegen iedere ingreep in ‘het bos’ voor hun deur. Na ‘onderhoud’ gepleegd te hebben, door de buren betiteld als ‘illegale kap’ en ‘kaalslag’, kreeg Le Coultre van de gemeente een herplantplicht voor 160 bomen opgelegd.

Ondanks de bosbestemming kreeg Le Coultre begin jaren negentig schriftelijk toestemming van het college van B & W de tuin in oude staat te herstellen. Die toestemming werd later nietig verklaard. Volgens de Raad van State had alleen de gemeenteraad de plannen kunnen goedkeuren en is B & W hiertoe niet bevoegd. En de gemeenteraad gaf geen toestemming.

Waarom niet? Naar Le Coultres stellige overtuiging omdat hij – hij zet „de feiten” met oog voor detail op een rij en stuurt later ter adstructie van zijn betoog nog tientallen stukken – medio jaren negentig een geschil kreeg met zijn buurman, Joop Sanders. Deze was tot 2002 decennialang fractievoorzitter van de VVD in de gemeenteraad, „en daarmee de enige echte burgemeester van Laren”.

„Sanders probeerde zich te verrijken ten koste van de gemeente en daar heb ik een stokje voor gestoken. De gemeente verkocht hem in 1996 een tussen zijn en mijn perceel gelegen lap grond van 794,5 vierkante meter. Hij betaalde 288 gulden voor het totaal. Een buurman betaalde in die tijd een ton voor vijfhonderd vierkante meter. Ik heb de transactie nietig laten verklaren: een gemeente mag dit soort deals niet sluiten met een lid van de raad zonder toestemming van Gedeputeerde Staten. Die toestemming was niet gevraagd.”

Joop Sanders, inmiddels naar elders in Laren verhuisd, weigert commentaar.

De jurist Loes Slijkhuisis ook verhuisd en zelfs uit Laren weggetrokken, maar behartigt nog wel de belangen van een aantal van haar vroegere buren in de Le Coultre-zaak. Zij zet graag uiteen waarom de Raad van State bepaald heeft dat „een tuin in een bos niet kan”. „Gazons, hagen, trampolines en tennisbanen horen niet thuis op een terrein met bosbestemming. Le Coultre probeert er een tuin van te maken omdat hij dan makkelijker toestemming krijgt om te bouwen op zijn terrein. De monumentenstatus die hij heeft aangevraagd, biedt geen bescherming tegen zijn bouwplannen. Een bosbestemming wel.”

Le Coultre ontkent ten stelligste bouwplannen, althans van zijn kant: „De gemeente houdt de monumentenstatus tegen omdat juist zij in dit gebied bouwplannen had en heeft. ”

Jan Aart Suijver, de advocaat die de gemeente speciaal aanstelde voor de Le Coultre-zaak, zegt: „Zijn favoriete uitspraak is: ‘Ik had daar een tuin en de gemeente wil er een bos van maken.’ Néé! Hij had een bos en hij wil er tuin van maken.”

Gelukkig, besluit Slijkhuis, heeft de gemeente tot nu toe de rug ‘redelijk’ recht gehouden. „Het mag niet zo zijn dat iemand die de wet overtreedt maar tonnen besteedt aan jarenlang procederen, om die reden zijn zin krijgt. Dat is het recht van de rijkste, dan worden we een bananenrepubliek.”

Wat zijn proceskosten betreft, heeft Le Coultre „geen idee”. „Ik betaal en vergeet het meteen.” Maar een bananenrepubliek, die ziet hij ook voor zich. „Mijn tuin is een luxeprobleem. Ik zie corruptie, ik zie een bananenrepubliek, en daar verzet ik me tegen. Het is mijn burgerplicht. Ze zijn gewend dat een burger op een gegeven moment murw zijn biezen pakt. Welnu, dat doe ik niet. ”

Idyllische dorpje

Louis Couperus wijdde onder meer een van zijn Epigrammen aan het ‘idyllische dorpje’. Hij beschreef hoe in de Larense landhuizen „niets anders dan groote geesten” wonen die allemaal hun „manieën” hebben: „De een schrijft wel eens een gedicht, de ander schildert wel eens (-); een derde theozofeert, een vierde loopt met bloote voeten; een vijfde eet groente alleen.”

De manieën van weleer lijken inmiddels door één enkele manie vervangen. Deze week hoorde de rechter partijen in het conflict over de appartementengebouwen die Marc Dreesmann, zelf woonachtig in Brasschaat, België, op het perceel naast dat van Reinout Oerlemans wil neerzetten. Slechts één buurman maakte geen bezwaar: Ten Bokkel Huinink. Hij wil op zijn terrein ook zo’n gebouw neerzetten. De omwonenden stapten naar de rechter. <