Rouwen

Twee helden in een week tijd: de weelde is haast niet om te dragen voor het ineengeflanste kunstwerk dat België heet. Het land dat bijna geen land meer was, herademt. Met dank aan Herman van Rompuy en Dick Advocaat. De nieuwe gezagsfiguren hebben meer gemeen dan je op het eerste gezicht zou denken. Om maar iets te noemen: ascese. Beiden zijn opgetrokken uit water en soep. Voor coq au vin komen zij de deur niet uit. Niet eens voor crème brulée.

Ook gemeenschappelijk: hun liefde voor het voetbal. Europees president Van Rompuy is een verwoed supporter van RSC Anderlecht. Hij mist geen thuiswedstrijd van de hoofdstedelijke club. En reken maar dat hij kan juichen. Brevierend de dag door, maar op zaterdagavond, in het Astridpark, wel languit in een wave na een doelpunt van Mbark Boussoufa.

Op het ereterras van Anderlecht zijn door de jaren heen regeringen gevormd en gevallen. Het is een sacrosanctum van conspiratie, machtsdeling en afrekening. Zoals officieren in het leger weten dat je nooit het happy hour in de mess mag overslaan, weten Belgische politici dat de wedstrijd van Anderlecht een verplichte eredienst is voor de verdere carrière. Overigens, ook nog in aanwezigheid van het bankwezen, de internationale diplomatie, koningskinderen. Oud-voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, was niet weg te slaan bij Anderlecht. Mobutu Sese Seko had zelfs een seizoenskaart.

Wie de komende jaren nog een beetje in de buurt wil komen van Herman van Rompuy zal zich dus moeten laten zien in het Constant Vanden Stockstadion.

De tweede held van de week was Dick Advocaat. Niet omdat de bondscoach de Rode Duivels nog eens liet winnen van een dwergstaat, nee, omdat er eindelijk een nieuwe Belg was opgestaan die zijn eigen gang durft te gaan. Man met een machtswoord, zowaar. Dat had Toots Thielemans in geen jaren meer gehoord, ook niet van premier Herman van Rompuy.

Wat hem in Nederland nooit gelukt is, komt hem in Brussel met vlagen toegewaaid: Dickie ontroert. Hij heeft een bijna presidentieel respect verworven op basis van zijn geroemde rechtlijnigheid. En hij laat zich daarbij niet tegenhouden door gesnotter in rouwkamers.

Maandagavond gooide de bondscoach Vincent Kompany uit de selectie. De sterspeler van Manchester City was te lang blijven hangen in het dodenmaal om zijn oma. Hij voegde zich pas uren later, na de afspraak, bij de selectie.

Te laat? Eruit! Dat Belgen met Congolees bloed misschien wat meer tijd nemen om afscheid te nemen van een geliefde kon Advocaat niet vermurwen. „Iedereen verliest weleens iemand,” zei hij quasi hardvochtig op een persconferentie. „Ik heb vanmorgen in Den Haag mijn broer begraven, en ik was toch op tijd bij het Belgisch elftal. En mijn broer was ook niet de eerste de beste.”

Snijdende woorden.

Later werd duidelijk dat Dick nog vóór het condoleren de kerk in Den Haag had verlaten om netjes om 14.00 uur in Brussel te arriveren. Het hele land viel achterover van zoveel professionalisme en punctualisme. In één klap was Kompany, met zijn Afrikaanse palaver, alle vergevingsgezindheid kwijt. Oma kon het schudden.

Vincent Kompany is voor Belgen wat Robin van Persie is voor Nederlanders. Een buitensporig talent, tricolore knuffelbeer. Maar van Rafael van der Vaart, die hem kent uit zijn tijd bij HSV, weet ik dat er bij spelers ook verachting is voor de Congolese Belg. Te veel pretenties, te veel Vuitton. Nukkig en verwaand. Dat mocht je eerst in België niet zeggen, maar nu, op gezag, van Dick Advocaat dus wel.

Een bondscoach die het volkssentiment voor een verwend joch laat kapseizen op strakke regels van discipline is ongekend in de slonzige contreien van Jacques Brel. Vandaar: een bijna buitenaardse bewondering.

Toch heb ik te doen met Dick. Had hij niet beter de begrafenis van zijn geliefde broer voltooid met zijn aanwezigheid? Is een domme, en geheel overbodige, wedstrijd tegen Qatar het waard om voortijdig uit de stilte van een groot verlies te treden? De discipline zal dan wel kloppen, maar klopt de mens nog?

De schoonheid van Dick Advocaat is zijn furieuze bezetenheid. Dat was ook zo bij het Nederlands elftal. Je kan anderen niet voorschrijven hoe ze moeten rouwen. Maar verdient een overleden broer niet enig oponthoud in furie en obsessie?

Dan maar eens een nachttraining.