Overleven op een postzegel

Inheemse reptielen en amfibieën hebben baat bij kleinschalige hulp van hobbyisten. Hester van Santen

Nederland is geen kikkerland. Van de 6.433 soorten kikkers en padden die er in de wereld leven, komen er elf van nature hier voor. Het kille westen en noorden van Europa is te koud voor veel amfibieën, en ook voor de meeste reptielen. Ze zijn koudbloedig.

Maar zo klein als het aantal soorten is, zo hard wordt er gewerkt om ze te beschermen. Vrijwilligers en natuurorganisaties koesteren de elf inheemse kikkers en padden, de vijf salamandersoorten, de vier hagedissen en de drie slangen. Deze week verscheen voor het eerst sinds 1986 een atlas van de Nederlandse amfibieën en reptielen. En alle berichten over versnippering, verdroging en vervuiling van natuur ten spijt is er ook wat goed nieuws.

Jeroen van Delft stelde het boek De amfibieën en reptielen van Nederland samen met Raymond Creemers. Ze verwerkten ruim 450.000 waarnemingen van 2.300 vrijwilligers tot een groot boek, 476 pagina’s dik. Het boek behandelt de eigenschappen van alle 23 soorten, maar toont vooral ook hoe het hun sinds het midden van de vorige eeuw is vergaan. “Het gaat niet ongenuanceerd goed of slecht”, zegt Van Delft.

De achteruitgang van enkele bedreigde soorten, zoals de boomkikker en de geelbuikvuurpad, is tot staan gebracht. Maar voor andere soorten is de toekomst onzeker. “De levendbarende hagedis is een nieuw zorgenkindje.”

Creemers en Van Delft werken beiden bij Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland – kortweg RAVON. Er is steeds meer aandacht voor deze dieren, vertelt Van Delft. In de negen jaar dat er aan de atlas gewerkt werd, groeide de organisatie van vier tot dertig werknemers.

Het algemene beeld? Van Delft: “De meeste soorten kregen een enorme klap in de jaren vijftig tot zeventig. De grote ruilverkavelingen waren een drama. Vroeger had bijna elk weiland een drinkpoel voor de koeien, nu zijn ze bijna verdwenen. Duizenden kilometers houtwal zijn opgeruimd. Heidevelden werden beplant met naaldbos of omgevormd tot landbouwgrond. Hoogveen en schrale glaslanden zijn verdwenen. En daarnaast is de natuur versnipperd door de groei van dorpen en steden. Er is tussen populaties geen uitwisseling meer.”

Zo verging het de knoflookpad. Het dier werd, met zeggekorfslak en korenwolf, een symbool voor beschermde diersoorten die in de knel raakten bij bouwprojecten. De pad met zijn donkerbruine rugstrepen blokkeerde eind jaren negentig de uitbreiding van een industriegebied bij Roermond. Maar het gaat nog steeds niet goed.

Vrijwel jaarlijks verdwijnen er populaties: in Overijssel, in Noord-Brabant. In de Meinweg hoorde Ton Lenders (zie kader) nog twee roepende mannetjes in één ven. “Ze houden van gebieden met voedselrijk water en voedselarm zand”, zegt Jeroen van Delft. “En die zijn schaars geworden: volkstuintjes, ouderwetse akkertjes.” Plekken waar de padden los zand kunnen omwoelen.

LAATSTE REDMIDDEL

Om de resterende populaties te redden, aarzelen natuurbeschermers niet om in te grijpen. Het uitzetten van dieren geldt als ‘laatste redmiddel’. “Allerlei introducties zijn volkomen mislukt.” Maar RAVON stelde bijvoorbeeld wel voor om in Noord-Brabant een ruiterroute zo te verplaatsen dat die bij een populatie knoflookpadden kwam te liggen – voor het rulle zand.

En in diezelfde provincie stapelden boswachters berkenhout en plaggen op, om rustplaatsen te maken voor de weinige gladde slangen die er daar nog over zijn. “Het kost heel weinig.” De gladde slang is nog steeds bedreigd, maar gaat voorzichtig vooruit. Omdat reptielen en amfibieën zich maar mondjesmaat verplaatsen, hebben lokale maatregelen veel effect.

Dat redde de boomkikker in de Achterhoek. De grootste populatie in Nederland was eind jaren negentig gekrompen tot 180 roepende mannetjes. Nu zijn er 2.500. Dankzij vrijwilligers, zegt Van Delft, die boeren en natuurbeheerders aanmoedigden om weer poelen aan te leggen. Ook groepjes boomkikkers in Zeeuws-Vlaanderen, Limburg en Brabant houden stand. Maar daartussen leven er geen. Het zijn postzegels, zegt Jeroen van Delft. De volgende stap is die te verbinden. “We moeten postzegels aanleggen tussen de postzegels die er al zijn.”

‘De amfibieën en reptielen van Nederland’ is verschenen bij de knnv Uitgeverij