'Neuzen zijn lastig, vooral bij mannen'

Er zijn veel meer plastisch chirurgen nodig dan minister Klink wil toestaan, zegt Irene Mathijssen, voorzitter van de vereniging van specialisten. En echt om medische redenen, niet voor de schoonheid. Een gesprek tijdens het werk.

Hoge hakken, strakke broek, losjes vallend haar langs een jong gezicht. Daar gaat Irene Mathijssen (40), door de gangen van het Sophia Kinderziekenhuis, naar de operatiekamer waar haar eerste patiëntje van vandaag al op tafel ligt. Ze trekt haar blauwe operatiepak aan, wast haar handen en praat met de oogarts, die net naar buiten komt.

Hij: „Van twaalf naar vijftien millimeter.”

Zij: „Mooi.”

De doorsnee van het siliconenbolletje dat hij in de rechteroogkas van het patiëntje heeft gezet. Het oude bolletje ligt, bebloed, in een bakje bij het hoofdeind. Irene Mathijssen pakt een mesje begint in het weefsel onder de neus van het patiëntje te snijden.

„Dit”, zegt ze, „vind ik het leukste wat er is.” Een gewone chirurg haalt dingen weg. Darmen, benen, borsten. Een plastisch chirurg maakt iets.

Een Chinees meisje van vijf, geadopteerd door Nederlandse ouders. Een uur eerder – kwart voor acht – heeft Irene Mathijssen verteld dat kinderen uit China vaak afwijkingen hebben. Nu is het een aangezichtsspleet. De rechterhelft van het gezicht is niet goed aangelegd en groeit niet mee.

Een gesprek tijdens het werk vindt Irene Mathijssen een goed idee. Kan ze laten zien, zegt ze, dat haar vak geen luxe is, zoals minister Ab Klink van Volksgezondheid (CDA) denkt. Die wil dat er minder plastisch chirurgen komen.

Ze is voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie en ze leidt in het Erasmus MC in Rotterdam – waar het Sophia bij hoort – het onderzoek naar afwijkingen van de schedel en het gezicht. Hoogleraar is ze niet, maar ze is pas veertig en al wel universitair hoofddocent.

Geen kinderen, geen man. „Misschien te intimiderend, een vrouw die chirurg is.” Soms jammer, ja. Maar ze kan zich wel helemaal aan haar werk wijden. Wat opvalt: zoals ze bij elk patiëntje – ze ziet vandaag alleen kinderen – ook praat over oorzaken van ziekte, en over de gevolgen.

Bij het Chinese meisje gaat dat zo: „Een bijdehand kindje, iets te eigenlijk. Te wijs. Totaal niet verlegen. Zie je vaak bij zulke kinderen. We onderzoeken wat de impact is als je zo afwijkend wordt geboren. We vergelijken mensen met afwijkingen met mensen die later verminkt zijn geraakt. Het gevoel van eigenwaarde blijkt identiek te zijn. Die eigenwaarde lijkt een gegeven, je past je aan. Maar…”

Ze klikt ondertussen een foto van het meisje aan: scheve neus, mond en wang, een lege oogkas met een klein ooglid ervoor.

„…opvoeding lijkt bepalend. Als ouders zich voor het kind schamen en het weghouden, raakt het gevoel van eigenwaarde wel verstoord.”

Als niemand moeilijk doet, is er geen probleem?

„Nou, nee. We worden altijd beoordeeld op ons uiterlijk. Dat heeft niets met deze tijd of met de media te maken. Een baby kijkt langer naar een symmetrisch gezicht dan naar een scheef gezicht. Van iemand die er goed uitziet, denken we sneller dat die slim en aardig is.”

Ze behandelt baby’s en kinderen met het syndroom van Apert of Crouzon, zeldzame aandoeningen waarbij de schedelnaden te vroeg sluiten en de groeiende hersenen het hoofd uit model drukken. De ogen puilen uit, de onderkaak komt naar voren, maar neus en bovenkaak blijven klein.

Ze behandelt – veel vaker – ook baby’s die te veel op hun rug liggen en daardoor een afgeplat achterhoofd krijgen. Baby’s op de buik leggen wordt afgeraden wegens het risico van wiegendood. „Puur cosmetische behandelingen”, zegt ze. „Voor sommige ouders is zo’n plat achterhoofd een ramp!”

Klinkt daar kritiek in door?

„Nee hoor. Maar ik zie ook ouders met een Apertkind die volkomen laconiek zijn.”

Zijn mensen meer geneigd dan vroeger om iets aan hun uiterlijk te veranderen?

„Inca’s bonden plankjes om het hoofd van baby’s zodat de schedel in een punt groeide. Chinezen bonden bij meisjes de voetjes in. In de Middeleeuwen snoerden vrouwen hier hun taille in. In Afrika...”

Maar er kan nu meer.

„Ja, dat is veranderd. En ook: mensen durven ervoor uit te komen als ze iets hebben laten doen.”

Ze wilde dierenarts worden, tot ze bedacht dat ze niets met kleine huisdieren heeft en ook niet met koeien en varkens. Zo werd het geneeskunde. Ze ergerde zich toen ze in Vlissingen haar co-schap chirurgie deed en in de operatiekamer alleen maar mocht toekijken en applaudisseren bij al het stoers dat daar werd verricht. „Ouderwets.”

Ze was ook co-assistent bij de plastisch chirurg Vaandrager en die vroeg haar wel hoe ze dit zou doen, en dat. Hij nam haar mee naar Rotterdam – zes uur ’s morgens in de auto – om kinderen met schedelafwijkingen te opereren.

Vandaag ziet Irene Mathijssen tussen half tien en kwart over tien op de polikliniek twee baby’s met een bootschedel: uitpuilend voor- en achterhoofd, smalle zijkanten. Komt doordat de naad van kruin tot fontanel te vroeg gesloten is. Waar die naad had moeten zitten, zegt ze tegen de ouders, zal ze een reep bot weghalen. De zijkanten zal ze er ook uithalen, opnieuw modelleren en weer terugplaatsen.

De baby’s zijn nog geen half jaar oud.

„En eh... als we niets doen”, vraagt de moeder van het tweede kindje.

„Dan wordt de schedel steeds langer en smaller”, zegt Irene Mathijssen. „Er is een risico van 15 procent dat de hersendruk te groot wordt. De oogzenuw kan beschadigd raken.”

„Wat heb ik verkeerd gedaan”, vraagt de moeder.

„Niets. Er is ook niets fout in het DNA en deze afwijking gaat niet gepaard met andere afwijkingen. Het is alleen die schedelnaad die niet is aangelegd.”

Als de moeder weg is, zegt Irene Mathijssen: „Ouders vallen keihard van hun roze wolk.”

Haar pieper gaat, het is de kinderneurochirurg die vraagt of ze komt kijken bij een meisje uit Burkina Faso met een open ruggetje. Ze gaat er meteen heen. Het meisje, twee jaar, ligt op de behandeltafel. Haar benen zijn verlamd en onder aan haar rug zit een bult zo groot als een voetbal, vol vocht.

„Een slim kindje”, zegt de man die haar heeft meegenomen naar Nederland. „Kijk maar naar haar ogen.” Hij is arts in Burkina Faso en kan er maar niet aan wennen dat kinderen die wat mankeren gewoon worden weggelegd.

Of de neurochirurg het vlies rond het ruggenmerg kan sluiten. En of de plastisch chirurg daarna de voetbal kan wegwerken. Het meisje – ze heeft een visum voor drie maanden – is niet verzekerd, dus nee, liever niet ook nog een kinderarts die gaat onderzoeken of ze misschien ondervoed is.

Tweehonderd plastisch chirurgen zijn er in Nederland, van wie er dertig uit het buitenland komen. Irene Mathijssen zegt dat er werk is voor tweehonderdvijftig. Er zouden per jaar twintig moeten worden opgeleid. Minister Klink zegt: zeven.

Waarvoor zijn al die plastisch chirurgen nodig?

„Alleen al omdat meer mensen kanker krijgen, vooral huid- en borstkanker en kanker in het hoofd/halsgebied.” Ze bedoelt: slokdarm, keel, mond en tong, door tabak en alcohol. „Wij doen de reconstructies. Er zijn vaak wel drie operaties nodig om buik, borst, rug en armen te corrigeren. En dat moet echt. De huidlappen die je overhoudt gaan smetten en stinken.”

En dan de bariatrische chirurgie – die neemt explosief toe: een manier om mensen met obesitas te laten afvallen, met maagbanden, maagverkleiningen, bypasses van slokdarm naar de dunne darm. In 2007 werden er in Nederland 3.500 van zulke operaties gedaan. In 2012 zullen het er meer dan 10.000 zijn.

Ze vertelt dat ze een „bizar verhaal” hoorde van een man bij wie de huidlappen tot op zijn bovenbenen hangen, maar die van de verzekering geen buikwandcorrectie vergoed krijgt. „Nu wil hij naar een privékliniek waar alleen basisartsen werken. Die doen de operatie in dagbehandeling, onder lokale anesthesie.”

Nou ja zeg – zo kijkt ze. „Ze hebben geen idee! Je maakt een enorme wond als je zoveel huid weghaalt. Daar kan iemand aan doodgaan.”

En nu?

„Hij overweegt om het toch te doen, want iets anders kan hij niet betalen.”

Oneerlijk, vindt ze. Het zijn vaak mensen met lage inkomens die zo dik zijn.

Zijn maagverkleiningen en buikwandcorrecties de oplossing voor obesitas?

„Er komen steeds meer heel dikke mensen, wat je ook doet. Natuurlijk moet je proberen dat te voorkomen. Maar bariatrische chirurgie is het enige wat bewezen helpt. Alle studies tonen aan dat je daarna een buikwandcorrectie moet doen. Dus die moet je dan ook vergoeden.”

Begrijpt u dat minister Klink daar geen zin in heeft?

„Mensen zitten met zuurstofflessen in een rolstoel en toch roken ze. Moet je die zuurstofflessen dan ook maar niet meer vergoeden?”

Ongezond gedrag wordt beloond en het eind is zoek.

„80 procent van alle ziekte is in dit deel van de wereld gerelateerd aan lifestyle. Het heeft voor een arts geen zin om zo te redeneren. Die heeft de plicht om mensen te helpen.”

Om tien voor elf komt een moeder met een meisje van bijna twee binnen. Haar achterhoofd is plat, haar gezicht scheef. Irene Mathijssen klikt een foto van een jaar geleden aan. Daarop is het gezicht nog veel schever. Het meisje heeft een jaar een corrigerende helm gedragen.

„Zie je hoe het verbeterd is”, zegt Irene Mathijssen tegen de moeder.

„Jeetje, ja”, zegt de moeder.

Het meisje glijdt van haar schoot, rent door de kamer, klimt op stoelen, draait aan de kraan boven de wasbak. Ze luistert niet als haar moeder zegt dat ze bij haar moet blijven.

„Haar ogen zijn niet goed”, zegt ze. „Ze ziet niks als ik ergens naar wijs.”

Als ze weer weg zijn, zegt Irene Mathijssen dat ze met de moeder te doen heeft: het meisje lijkt autistisch. Wat haar interesseert: of dat scheve hoofd er wat mee te maken heeft. „Alle baby’s liggen op hun rug, maar ze krijgen lang niet allemaal een plat achterhoofd. Sommigen voelen blijkbaar totaal geen uitdaging om te proberen zich om te draaien.”

Tegen enen wordt het laatste patiëntje van vandaag door zijn vader naar binnengesleurd. Een jongetje van drie, hij schreeuwt en gilt en vecht. Zijn moeder zegt: „Hij is moe.” Ze heeft uitpuilende ogen, haar onderkaak steekt naar voren.

Verpleegkundige Hansje Bredero komt ook mee naar binnen en lokt het jongetje naar de hoek met speelgoed. Als hij aan een puzzel is begonnen, pakt zij een meetlint en legt het zachtjes om zijn schedel. Die is te klein voor zijn leeftijd.

„Jullie zouden twee jaar geleden al komen, hè”, zegt Irene Mathijssen. „Lukte het niet?”

„Nu zijn we er”, zegt de moeder.

„Het is belangrijk dat we jullie zoontje kunnen onderzoeken”, zegt Irene Mathijssen. „We moeten weten of hij geen problemen krijgt met zijn hersenen en zijn ogen. Slaapt hij goed?”

„Hij snurkt”, zegt de moeder.

„Dat bedoel ik. Door de afwijking stokt zijn adem. Als hij slecht slaapt, is hij overdag moe. Misschien schreeuwt hij daarom wel zo.”

„Hij schreeuwt harder dan zijn broers.”

„En die hebben de afwijking ook hè. En u ook.”

„Ja”, zegt de moeder. „Ik ook.”

Allemaal Crouzon, zegt Irene Mathijssen als ze weg zijn.

Moeten plastisch chirurgen zich niet duidelijker onderscheiden van esthetisch chirurgen die alleen facelifts en liposucties doen?

„Maar wat is esthetische chirurgie? Een borstcorrectie na kanker? Is niet echt nodig. Een neuscorrectie? Bij een kind met een schisis [hazelip – red.]: ja, natuurlijk. Maar gewoon een lelijke neus? Daar kan iemand vreselijk onder lijden. Mensen willen er normaal uit zien. Dat is wat wij doen: iets zo normaal mogelijk maken.”

Wat is normaal?

„Ja, wat is normaal. In Amerika krijgen vijftienjarigen een andere neus voor hun verjaardag. Vrouwen met een B-cup willen naar een E. Maar hier zijn het vrouwen met AA-cup die naar een B willen. Met die hype over schaamlipcorrecties, een paar jaar geleden, heb ik mijn collega’s die esthetische chirurgie doen gevraagd hoe vaak ze zo’n operatie deden. Hooguit tien keer per jaar, zeiden ze. Niet bij minderjarigen en alleen in zeer invoelbare gevallen.”

Waarom zouden in Nederland de ideeën over wat normaal is niet veranderen?

„Omdat de cultuur hier anders is. Op congressen zijn het altijd de Amerikaanse plastisch chirurgen die met hun strakgetrokken tweede vrouw komen.”

Zou u esthetisch chirurg willen zijn?

„Ik heb er niets mee. Maar het is te gemakkelijk om denigrerend over esthetisch plastisch chirurgen te doen. Voor hen is het veel moeilijker om de psychiatrische gevallen eruit te halen en tevreden patiënten te krijgen. Na een geslaagde reconstructie is iedereen blij. Iemand die zich laat opereren om mooier te worden, is kritisch.”

Zou u zichzelf laten opereren om mooier te worden?

„Mijn opleider in Vlissingen zei: als je wilt, kan ik best iets aan je neus doen.”

Ze draait haar hoofd opzij en wijst naar haar neusbrug, die een kleine bobbel heeft.

„Hij wilde ook wel het litteken hier weghalen.”

Ze wijst naar een inkepinkje van een halve centimeter onder haar rechteroog. „Nee dus. Het houdt me totaal niet bezig.”

De polikliniek van het Erasmus MC, anderhalve week later: volwassenen. De eerste is een jonge, frêle vrouw, piercing in haar wenkbrauw, zwart haar in een hoge staart. Ze komt voor haar neus: veel te groot, veel te lang, ze kan er niet mee leven, hij móét kleiner worden gemaakt, zo kan ze nooit gelukkig zijn. Ze huilt.

Het wordt een verwijzing naar de psycholoog.

Waarom geen operatie?

„Het was een normale neus, toch? Dat ze zei dat ze alles goed vond wat ik zou doen, maakte me niet geruster. Je weet nu al dat ze met een andere neus ook niet gelukkig zal zijn. En dan heb ik het gedaan.”

En als u commercieel zou werken?

„Zou niets uitmaken. Neuzen zijn lastig, vooral bij mannen. Wat jij mooi vindt, hoeft de patiënt helemaal niet mooi te vinden. Chirurgen die commercieel werken, zijn daar ook erg voorzichtig mee.”

In Istanbul, zegt ze, laten alle vrouwen de bobbel uit de neusbrug halen. In China willen alle meisjes langere benen en ronde ogen.

Wat willen Nederlanders?

„Correctie van hangende bovenoogleden. En dan zeggen ze dat het is omdat ze er last van hebben, niet omdat het mooier is.”

Zijn we nog zo calvinistisch dan?

„Heel erg. En ik zie het niet veranderen.”

Dit zijn de andere patiënten vandaag:

Een jonge man die met zijn gezicht door de voorruit van zijn auto is gegaan.

Een jonge vrouw bij wie de kaak naar voren is gezet en die nu een lelijk litteken bij haar oor heeft.

Een vrouw met een enorme, maar ongevaarlijke bult in de nek.

Een vrouw bij wie een oog is weggehaald toen ze nog een baby was en in Vietnam woonde. Nu zit er een bult op haar voorhoofd.

Een vrouw bij wie de bovenoogleden zo hangen dat haar wimpers niet meer te zien zijn.

Een man die een hersenbloeding heeft gehad, waarna zijn rechteroog niet meer sloot en zijn mond scheef hing.

Een man met een enorm litteken op zijn borst na een bacteriële huidinfectie.

En een vrouw die anderhalf jaar geleden een zwart plekje op haar onderlip kreeg – ze rookt. Ze wachtte te lang en toen moest Irene Mathijssen de hele onderlip wegsnijden. Plaveiselcelkanker. Ze laat foto’s zien van de operatie waarin ze de zenuwen en spieren rond de mond verlegde en een nieuwe onderlip maakte van een centimeter breed. Hij moet nog oprekken.

De vrouw heeft de col van haar trui tot aan haar neus opgetrokken.

Daarna laat Irene Mathijssen foto’s zien van een vuilnisman die onder de vuilniswagen kwam – zijn linkerbeen en linkerbil werden geplet. „We hebben dat been gebruikt om de wond van buik, heup en rug te sluiten en een nieuwe bil te maken.” Luguber verhaal, zegt ze. Maar wat fantastisch om te doen.