Leve de president van Europa!

Van Rompuy mag een grijze muis heten, hij gaat wat veranderen in Europa.

De nieuwe president zal aanschuiven bij Obama en Medvedev; het wereldtoneel lonkt.

Politiek filosoof en columnist van NRC Handelsblad. Van hem verscheen recent ‘De passage naar Europa. Geschiedenis van een begin’ (Historische Uitgeverij) over het ontstaan van Europese politiek uit de stroom van gebeurtenissen.

Verliezen van België doet pijn, op het voetbalveld en in de politieke arena. Een ander soort pijn dan verliezen van de Duitsers. Klemmender is het gevoel dat het niet had mogen gebeuren. Maar Nederland moet zich er snel overheen zetten. Het nieuwe ambt noch de eerste bekleder moet worden onderschat.

Journaalpresentator Philip Freriks vertolkte op donderdagavond de nationaal gekrenkte trots: „Waarom Van Rompuy en niet Balkenende? Hoe was dat mogelijk?” Het antwoord van Brusselcorrespondent Paul Schneijder bood zalf op de wonde. De regeringsleiders hadden als voorzitter liever een „onbeschreven blad” dan een man met „ervaring”. Van Rompuy is korter dan een jaar eerste minister, terwijl Balkenende zoals bekend zijn vierde kabinet sinds 2002 voorzit. Zo werden de Journaalkijkers gerustgesteld: onze landgenoot was overgekwalificeerd.

De Belgen toonden echter de afgelopen weken weer het Europese spel tot in de vingers te beheersen.

Ten eerste leek er een subtiele mediastrategie. Belgische krantencommentaren zetten de staatsmannelijke kwaliteiten van Van Rompuy in de verf en wezen bij Balkenende op de krassen. Deze laatste verloor een Europees referendum, vertegenwoordigt een inmiddels eurosceptische lidstaat en voert binnenlands een zwakke regie, zo werd opgemerkt. Deze negatieve spin belandde via onder meer Le Monde in (andere) internationale kranten. Les voor de Nederlandse diplomatie: hoewel de topbenoeming inderdaad in zeer besloten kring van 27 regeringsleiders plaatsvindt, spelen de media toch een rol. De Belgische kandidatuur kende een uitgekiend evenwicht tussen discretie en openbaarheid.

Ten tweede is onderschat hoezeer België als klein en relatief inschikkelijk buurland het volle vertrouwen heeft van Frankrijk en Duitsland. De regeringsleiders Sarkozy en Merkel fungeerden als de kingmakers, zeker nadat ze aankondigden dezelfde kandidaat te steunen. Weliswaar heeft Nederland momenteel heel behoorlijke relaties met Berlijn en (opvallender) met Parijs, maar goede relaties is niet hetzelfde als het volle vertrouwen; een incidenteel compliment nog geen sollicitatie-aanzoek.

Bovendien geldt Den Haag als pro-Brits, met Groot-Brittannië de derde van de Europese big three. Dat leidt tot onbehagen bij Frankrijk en Duitsland. In hun perspectief hobbelde bijvoorbeeld premier Lubbers steeds achter de Britse premier Thatcher aan.

In de Irakcrisis van 2003 – een zeer geladen politiek moment – stond Balkenende’s Nederland aan de Brits-Amerikaanse zijde, terwijl België zich met de Fransen en Duitsers tegen de oorlog keerde. Zulke zaken zijn niet vergeten. Daarom menen Parijs en Berlijn op een Belg meer te kunnen rekenen dan op een Nederlander. Negatief geformuleerd: ze hebben onze zuiderburen steviger in de tang. Het was een beslissend voordeel van Van Rompuy boven Balkenende. Veel is er niet aan te doen. Tenzij zich afvragen of het verstandig is met alle drie de Europese groten even bevriend te willen zijn, zoals tegenwoordig de strategie schijnt. De Britse oud-ambassadeur Sir Colin Budd adviseerde Den Haag ooit: kies er twee. Hij zei overigens niet welke.

Belangrijk is nu niet te denken dat alles zo’n beetje hetzelfde blijft omdat de regeringsleiders kozen voor een „grijze muis”. (Opnieuw een zucht van verlichting in het vaderland, onze leider is blijkbaar geen...) Ja, de ministerraden van de vakministers blijven rouleren. Ja, er zal buitenlandspolitieke competentiestrijd zijn tussen twee, drie, soms vier Brusselse persoonlijkheden. Nee, Sarkozy, Merkel en Brown zullen niet in de schaduw worden gesteld.

Dit alles doet niet af aan de potentie van de functie van Europees president. Deze kan groeien. Of beter: deze zal groeien. Niet omdat hem executieve bevoegdheden zijn toegekend. De Europese president wordt geen Amerikaanse president; Van Rompuy geen Obama. De Unie is en wordt geen eenheidsstaat. De Unie lijkt eerder op een konvooi van 27 schepen, alle met de nationale én de Europese vlag in top, soms tegen wil en dank samen in de geopolitieke baren. Ook Van Rompuy wordt van dit konvooi niet de éne kapitein; dat blijven de 27 regeringsleiders in hun eigen kajuit. Wel zal hij kunnen bevorderen dat alle dezelfde kant opvaren. Bescheiden én volhardend; in eigen woorden donderdagavond: „stap voor stap, maar niet too little, too late.”

Bovendien beslist niet een functieprofiel over de mate van iemands gezag. Het zijn behalve de persoonlijkheid ook de aankomende gebeurtenissen waarin hij of zij heeft op te treden: internationale stormen, interne splijting, gedonder aan de grens, onverwacht drama. Niet de regels zullen Van Rompuys plaats bepalen, maar de woelingen van het politieke leven.

Twee formele troeven heeft hij ook. Ten eerste zorgt de vaste voorzitter ‘op zijn niveau en in die hoedanigheid voor de externe vertegenwoordiging van de Unie’ (art. 15 lid 6 Verdrag van Lissabon). Op zijn niveau betekent: op presidentsniveau. Dus waar de Europese buitenlandfiguur Catherine Ashton op de thee gaat bij de Amerikaanse minister Hillary Clinton, daar kan Van Rompuy namens de Unie in het Witte Huis met president Obama spreken. Of met premier Medvedev in het Kremlin. Zulke symboliek geeft uitstraling naar binnen en buiten, en dus macht. Niet voor niets claimde de Belg dat in zijn sterke eerste toespraakje

Vervolg President EU: pagina 2

‘Haiku Herman’ zal aan gezag winnen

meteen: „Ik zal dus de vergaderingen bijwonen van de Toppen met onze partners wereldwijd.” Het wereldtoneel lonkt.

Ten tweede zit Van Rompuy de vergaderingen van de Europese Raad voor. De lidstaten die zich in 2002-2003, toen het debat over de functie werd gevoerd, tegen een sterke, Fransachtige président verzetten, legden zich uiteindelijk neer bij een dienende chairman, een vergadervoorzitter. Dit papieren debat werd de afgelopen weken opnieuw afgespeeld maar nu met poppetjes van vlees en bloed: via ‘president’ Blair kwam men uit bij ‘voorzitter’ Van Rompuy.

Maar ook een hamer vasthouden is betekenisvol. In de Europese Raad komen de hoogste nationale gezagslijnen samen; Sarkozy, Merkel, Balkenende en hun 24 collega’s. Ook de Commissievoorzitter (Barroso) en de nieuwe Hoge Vertegenwoordiger (Ashton) zitten aan tafel. Een akkoord op een top bindt dus de executieve macht in de hele Unie. De man met de voorzittershamer bespreekt na afloop die besluiten met pers en publiek. Juist wanneer ze gepaard gaan met bittere onderhandelingen en laatste-moment-compromissen, zo weet Van Rompuy uit zijn Belgische ervaring, geeft dit statuur.

De Europese Raad werd pas in 1974 opgericht maar heeft sindsdien een onstuitbare opmars gemaakt. Het is de plaats waar het interne Brusselse geregel en de buitenlandse politiek samenkomen. Ooit boterberg en Koude Oorlog, nu dienstenrichtlijn en China. Er zijn weinig redenen te bedenken dat die opmars zich onder ‘haiku Herman’ niet zal voortzetten. Daar kan ook Den Haag zich nog beter op inrichten.

In het oorspronkelijke Brusselse mechaniek waren geen toppen van regeringsleiders voorzien. Dat deed de oprichters denken aan de oude machtspolitiek van voor 1945: harde botsingen van nationale belangen, zonder gemeenschappelijk ideaal, de kleine landen buiten spel. België en Nederland hoopten dat een neutrale Commissie kon uitgroeien tot (soort van) Europese regering. Die zou hen beter beschermen tegen de willekeur van de groten.

In het Franse denken was dit scenario uitgesloten. Prima dat een Commssie in Brussel voorstellen deed over melkprijs of haringnetten. Maar alleen regeringsleiders konden hun bevolkingen binden in zaken van harde buitenlandse politiek. President De Gaulle begon in 1961 met het incidenteel bijeenroepen van zijn collega-regeringsleiders. Zijn opvolger Giscard d’Estaing bracht regelmaat in de toppen. „Als die regelmaat eenmaal vaststond”, schrijft de Fransman in zijn memoires, „zou de reikwijdte van de macht der regeringsleiders de rest doen en de instelling als vanzelf consolideren: er zou een Europese uitvoerende macht beginnen te ontstaan.”

Zo ging het inderdaad. Na oprichting in 1974 groeide de Europese Raad binnen tien jaar uit tot het machtscentrum van de Unie. Zo hebben de lidstaten zich op topniveau in het hart van de Europese besluitvorming genesteld. Het geeft de benoeming van Van Rompuy iets mooi ironisch: het land dat als geen ander Europa nodig heeft omdat de eigen federale staat uiteen dreigt te vallen, bekrachtigt de instelling die toont dat ook in het verenigde Europa de staten blijven bestaan. Het konvooi wordt niet één Europees schip.

Vermakelijk is hoe Giscard d’Estaing destijds het verzet van Nederland en België tegen de oprichting van de Europese Raad brak. In december 1974 nodigde hij zijn acht collega-regeringsleiders uit voor een top in Parijs. Velen waren wantrouwend; de Nederlandse premier Den Uyl mocht van zijn Eerste Kamerfractie zelfs niet afreizen. (Hij ging toch.) In een salon van het Elyséepaleis, de gasten op fauteuils door elkaar, sneed Giscard op de slotdag de delicate kwestie aan: „Zou het niet aardig zijn enige regelmaat in deze bijeenkomsten te brengen?” Tevoren heeft de Fransman zich overtuigd van de steun van Helmut Schmidt: Parijs en Bonn zitten op één lijn. De Italiaanse premier Aldo Moro lijkt het een goed idee. De Britse premier Wilson houdt zijn kaarten op de borst. De Deen zwijgt. De premiers van de Benelux hebben er duidelijk geen trek in; zij vrezen een verzwakking van de Commissie.

Maar dan heeft Leo Tindemans ineens een idee. Waar die bijeenkomsten dan moeten plaatsvinden? De Belgische premier wil graag dat een aantal zich in Brussel zou afspelen „vanwege de cohesie van de Europese instellingen”. Giscard d’Estaing kan zijn vreugde met moeite bedwingen; nu het over het waar ging, was de inzet binnen. Zo werd besloten om drie vergaderingen per jaar te beleggen, en van de twee vergaderingen in het eerste semester er verplicht een te houden in Brussel of in Luxemburg. Het was een exemplarisch Europees compromis (dat alleen Nederland met lege handen achterliet).

Premier Tindemans was in Belgische traditie een overtuigd Europeaan, maar voorzichtig en pragmatisch. Slim verbond de christen-democraat op die top van 1974 het onvermijdelijke met het aangename. Als dat onding van een Europese Raad er onder Franse en Duitse druk toch kwam, dan liever in Brussel. Enkele maanden na deze zet trad een jonge medewerker toe tot Tindemans’ persoonlijke staf: Herman Van Rompuy. Dankzij de greep van zijn politieke leermeester mag hij nu enkele honderden meters verhuizen. Van de Brusselse Wetstraat 16 (de ambtswoning van de premier) naar de Residence Palace aan de Wetstraat 155 (waar ruimte voor de Europese president is voorzien).

Dat is nog iets dat we vergeten waren: de Belgen speelden een thuiswedstrijd.