In de rechtszaal is Allah gewoon bon ton, hoor

Kamerleden houden zich bezig met de manieren waarop een eed wordt afgelegd (NRC Handelsblad, 11 november). De Wet vorm van de eed bepaalt sinds 1911 dat het met de twee voorste rechtervingers opgestoken „Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig” kan worden veranderd als iemands godsdienstige gezindheid daartoe verplicht. De Raad van State heeft echter in 2001 met een weinig pragmatische redenering bepaald dat die wet niet voor ambtenaren, maar alleen in de rechtszaal geldt; ik vermoed dat het zelden gebeurt, maar daar is Allah bon ton. Christelijke partijen propageren nu eenvormigheid en Allah is uit den boze. Hun uitgangspunt deugt niet. De gedachte achter een godsdienstige eed in het publieke domein is namelijk dat het betrekken van een godheid bij religieuze burgers inprent dat zij doen waar het om gaat (waarheid spreken, wet handhaven etc.): Hij/Zij/Het kijkt mee! Bij deze gedachte past niet: dat geldt voor christenen, anderen kunnen de neutrale belofte afleggen. De echte discussie is of we deze gedachte willen handhaven. Zo ja, dan moet de uitzondering voor alle eden gelden. Doe dan ook meteen de rechtspraktijk een plezier en moderniseer de klassieke eedsformule. Mijn ervaring als strafrechter-plaatsvervanger is namelijk dat burgers die getuigen verbazingwekkend bedreven zijn in het omhooghouden van de verkeerde vingers of het vroegtijdig omlaag doen van de goede vingers bij het uitspreken van een tekst die zij verprutsen tot ‘ware God’ en ‘allemachtig’.

Floris van Laanen

Universitair docent strafrecht Tilburg