Haasse slikt een traantje weg om de Oeroeg-voordracht van Nijholt

„Was ’t hem of was het hem niet?” Tegen het einde van het openbaar interview in Carré, in het laatste uur van de actie Nederland Leest, kreeg Hella S. Haasse gistermiddag de hamvraag over het nationale leesboek Oeroeg voorgelegd. Als de verteller van de roman terugkeert naar Indië, en daar bij het Zwarte Meer geconfronteerd wordt met een guerrillastrijder, is dat dan zijn jeugdvriend Oeroeg?

„Ik weet het niet,” antwoordde de in smaragdgroen geklede Haasse bewogen. „Op een bepaalde manier verkeer ik in dezelfde situatie als de ik-figuur. Want ik probeer er al zeventig jaar achter te komen wat Indië was; wat het voor ons Nederlanders is geweest. Daar zijn we nog lang niet uit.”

Het was het tweede emotionele moment tijdens de slotmanifestatie van Nederland Leest. Even eerder had Haasse naar eigen zeggen haar tranen moeten wegslikken „omdat Willem zo mooi gelezen had.” Willem Nijholt keerde na vele jaren eenmalig terug op het toneel met een bewerking van Oeroeg (door Yvonne Keuls), en oogstte open doekjes met zijn verschillende stemmen voor Oeroeg, de ik-figuur en diens moeder.

Bijna een miljoen exemplaren van het 61 jaar oude Oeroeg zijn de afgelopen maand uitgedeeld op scholen en bibliotheken, vertelde Philip Freriks, die de middag in het bijna bomvolle Carré aan elkaar praatte. Hij had ook nog nieuws: onderzoek had afgelopen maand uitgewezen dat Haasse en president Obama op dezelfde school hadden gezeten: de jonge Hella op het Bataviaans Lyceum, Obama vele jaren later op de Sekola Dasar in het inmiddels herdoopte Djakarta.

Haasse maakte een energieke indruk tijdens het half uur durende interview. Ze achtte het ‘een ongelooflijk geluk’ dat de dingen die zij geschreven heeft zo’n weerklank hebben gevonden, „maar daar heb ik dan ook mijn leven aan gegeven”. De roman als vehikel voor de verbeelding zal volgens de 91-jarige schrijfster nooit uitsterven; die wordt op zijn ergst iets voor een minderheid, „laten we zeggen een gelukkige minderheid.” Ziet ze voor zichzelf nog een toekomst als publicerend schrijfster voor zich? Dat ze niet kan leven zonder verbeelding, staat vast. „Maar of ik ik nog de kracht zal hebben die in woorden om te zetten? Ik doe mijn best.”