Feminien en klagen, dat is twee keer hetzelfde zeggen

In ‘De Nederlander bestaat wel’ (Opinie & Debat, 14 november), schrijft Maarten Huygen instemmend over Geert Hofstedes classificatiesysteem van cultuurverschillen. Nationale gedragseigenaardigheden worden daarin verklaard vanuit parameters zoals femininiteit en machtsafstand. Er kleven echter wetenschappelijke bezwaren aan. Ten eerste heeft de contrastering van collectiviteiten als ‘Duitsers’ en ‘Nederlanders’ een verabsoluterend effect. Ze beneemt ons het zicht op de verschillen binnen Nederland en binnen Duitsland. Kerkrade en Aken verschillen nauwelijks van elkaar, maar Kerkrade en Rotterdam verschillen zeer sterk.

Wat ook wordt verdoezeld, zijn de niet minder aanzienlijke overeenkomsten tussen de beide landen.

Vervolgens is er een ingebouwde neiging om saillante voorbeelden te selecteren. In de vergelijking met Duitsland krijgen we vooral voorbeelden van Nederlandse softheid voorgeschoteld, die navenant verklaard worden vanuit Nederlandse ‘femininiteit’. Maar hoe zit het met de voorbeelden van Nederlandse botheid of stoerheid, zoals die misschien in een vergelijking met België naar voren komen? Het model gaat ten slotte mank aan een cirkelredenering tussen het beschrijven van gedragspatronen en het verklaren ervan. Wie zegt dat de Nederlander feminien is en „daarom” veel klaagt of zelfkritiek –zoals in het stuk van Maarten Huygen werd beweerd –, zegt twee keer hetzelfde: alsof ik zou stellen dat iemand vrijgezel is en dat daardoor wordt verklaard waarom hij niet getrouwd is. Hofstedes statistische analyse van cultuurverschillen werkt voortdurend de misvatting in de hand als zouden maatschappelijke gedragingen gemotiveerd zijn door, en verklaard kunnen worden vanuit, collectieve psychologismes.

Ik ben van mening dat het Hofstede-model zich onttrekt aan de wetenschappelijke eis van falsifieerbaarheid en neerkomt op meting van de herkenbaarheid van nationale stereotypen. Een falsifieerbare testtoepassing zou kunnen zijn: stel een profiel samen van hoe ‘de’ Nederlander pertinent niet is en kijk dan hoe die bewering zich verhoudt tot de empirische werkelijkheid.

Joep Leerssen

Hoogleraar Europese studies, UvA