Expertdiscussie

Behandel artsen niet als potentiële moordenaars

Is het zo vreemd dat artsen levensbeëindiging bij pasgeboren niet melden (Opinie & Debat, 14 november)? Toen ik midden jaren tachtig een pasgeborene met het syndroom van Down op uitdrukkelijk verzoek van de ouders niet opereerde voor een aangeboren afsluiting van de twaalfvingerige darm, bezorgde enige tijd later een motoragent van de politie bij mij thuis een brief waarin stond dat ik werd verdacht van doodslag c.q. moord.

Ik was het eens met wat de secretaris van de Raad voor de Kinderbescherming mij telefonisch had geadviseerd: „Dokter, luistert u goed naar de ouders en volg hen als u ervan overtuigd bent dat zij weloverwogen tot hun besluit zijn gekomen.” Ook de secretaris kreeg een brief, met de beschuldiging van medeplichtigheid. Er volgde een proces van vele jaren, waarna uiteindelijk wij beiden werden ontslagen van rechtsvervolging.

Zo gaat het OM met deze moeilijke en intieme vragen om. De roep om actie door de heer Alex Bood, verbonden aan het wetenschappelijk bureau van het OM, spreekt in dit opzicht boekdelen.

Dokters kunnen het onderling nooit eens worden over het moeilijke vraagstuk van behandelen of niet (meer) behandelen van het pasgeboren kind met levensbedreigende aangeboren afwijkingen. Dát is nu eenmaal hun vak: voor elke unieke pasgeborene met levensbedreigende aangeboren afwijkingen samen met de ouders balanceren en beslissen op de grens van beginnend leven of dood. Als de dokter en diens verpleegkundigen na veel overleg en getob het dan met elkaar en met de ouders eens worden, laat ze dan met rust en ga ze niet vervolgen voor moord en doodslag. Zij zijn toch geen potentiële moordenaars?

Jan C. Molenaar

Emeritus hoogleraar kinderchirurgie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Musea zijn echt geen slimme subsidiewolven

Het artikel van Pim van Klink en Arjen van Witteloostuijn (Opiniepagina, 26 oktober) wekt de suggestie dat kunstinstellingen op slimme wijze subsidie krijgen en zich in deze economisch zware tijd onttrekken aan de gevolgen van de economische crisis. Niets is minder waar. De eerste misvatting is dat musea recessiebestendig zijn door subsidies. De ware reden is natuurlijk dat musea non-profitinstellingen zijn. Zij krijgen geld van overheden en deze subsidies worden niet belegd in risicovolle aandelenfondsen. De reden dat musea relatief gezien weinig getroffen lijken, heeft meer te maken met gezonde bedrijfsvoering.

Opmerkelijk is dat de economen geen oog hebben voor het vitale belang van het museum voor de economie. De huidige tentoonstelling Cézanne-Picasso-Mondriaan in het Gemeentemuseum Den Haag trekt drommen mensen. Dat tienduizenden Den Haag bezoeken is merkbaar in de stad. Ze verplaatsen zich bijvoorbeeld met het openbaar vervoer. De HTM vaart er wel bij. Maar ook de horeca in de stad krijgt meer toeloop en in de binnenstad wordt gewinkeld.

De grootste misvatting is echter dat musea structurele overheidssteun krijgen. De kunstcollectie is namelijk niet van het museum, maar van de overheid. Musea krijgen geld om de collectie van de lokale of nationale overheid te onderhouden. Dat is heel iets anders dan overheidssteun. Zoals de plantsoenendienst geld krijgt om het groen van de stad te onderhouden, zo krijgt het museum subsidie om de collectie op verantwoorde manier te conserveren en presenteren aan een groot publiek. Wat voor gevolgen bezuinigingen op subsidies ook hebben, zeker is dat met name de kunstwerken eronder zullen lijden.

Benno Tempel

Directeur Gemeentemuseum Den Haag

Dit zijn fragmenten uit langere expertdiscussies, te lezen via nrc.nl/expert.