'Een klucht is meer dan deuren en seks'

Jon van Eerd is de koning van de nieuwe klucht. Maandag gaat zijn nieuwe blijspel ‘Oranje boven’ in première: ‘Klucht is zo’n bezoedelde term.’

„Ze zeggen dat ik de lach aan mijn kont heb hangen, maar denk niet dat ik er geen reet voor hoef te doen,” is het credo van komediant Jon van Eerd, de man die de Nederlandse kluchttraditie heeft gereanimeerd. Maandag gaat zijn nieuwe klucht Oranje Boven, over de bediendes van het koninklijke paleis, in Gouda in première.

Van Eerd is een veelzijdig acteur, vaardig komedieschrijver en een rake typeur die met lichtvoetig spel, een prettig zangtimbre en een grote komische kracht uitblonk in musicals als Mamma Mia! en Titanic, en komedies als Het zakkendiner en Omhoog die stok. Vorig tv-seizoen kreeg hij enige bekendheid door het programma Wie is de mol? (Hij was het.)

Maar hij onderscheidt zich vooral nu zijn grote prethoofd met stevige neus en lage oren het gezicht is van de nieuwe klucht. Hij begon in 2002 met Tel uit je winst, daarna volgden De tante van Charlie, Boeing Boeing, Een rits te ver en Dubbel op. De klucht, dat heerlijk hysterische genre vol zenuwslopend oplopende paniek, misverstanden, leugenaars die zich verstrikken, persoonsverwisselingen, mensen in kasten, dubbelzinnigheden, en snelle opkomsten en afgangen door vele deuren. Verguisd door de kunstpolitie, geliefd bij het grote publiek. Als koning van de klucht wordt Van Eerd gezien als de opvolger van John Lanting, hoewel hij dat zelf zal relativeren. Een vergelijking met volkskomiek André van Duin ligt meer voor de hand.

Woensdag speelde Van Eerd een inspeelvoorstelling van Oranje Boven in Barneveld. Onnavolgbare verwisselingen van oranje hoedendozen in de koninklijke keuken, waardoor twee hoeden en een nieuwe buste van Majesteit zoek raken. Speciaal voor Barneveld, bekend als kippengemeente, werpt Van Eerd wat eieren de zaal in. Na afloop een gesprek in de artiestenfoyer.

In ‘Oranje Boven’ zitten weinig grappen over het koningshuis. Waarom?

„ We hebben nog wel een grap over de zus van Majesteit die rooibosthee drinkt en bomen in de paleistuin omhelst, maar een grap over de zingende zus die keihard tegen een deur aanloopt is eruit. En ik had natuurlijk prins Bernhard in zijn ondergoed langs kunnen laten rennen, maar ik vond dat zoiets te veel de aandacht zou weghalen bij het personeel om wie het gaat. Ik ga bovendien graag tegen de verwachting in. Ik vind het spannender als je wel hun aanwezigheid voelt, maar dat ze net niet in beeld komen.”

U ben opgegroeid in Maastricht. Heeft u veel last gehad van het rijke roomse leven?

„Nee dat heb ik niet als onderdrukkend ervaren. Mijn ouders zijn vrijdenkende Brabanders. Wel heb ik op het Rolduc internaat in Kerkrade gezeten. Dat is het grootste trauma van mijn leven. Ik kwam midden in de hypocrisie van de paters terecht. Er was bijvoorbeeld een ziekenbroeder bij wie je je broek moest laten zakken als je met een zere vinger kwam. Na het sluiten van de mijnen werden afgedankte mijnwerkers daar als jeugdleiders ingezet. Die tolereerden oogluikend de terreur tegen iedereen die enigszins afweek. Als je niet meedeed met voetbal, of met roken, dan was je de lul. Op een keer hebben ze mijn arm gebroken op een muurtje. Ik heb thuis maar verteld dat het bij volleyballen was gebeurd. Het heeft daarna lang geduurd voordat ik mensen weer kon vertrouwen.”

Hoe bent u ontkomen aan Limburg?

„Ik ben gaan studeren aan de London Academy of Music and Arts. Daar heb ik nog altijd profijt van. Ze leerden je niet dat je een bijzonder mens was, een artiest, ze leerden je dat acteren een ambacht is. Vanuit dat uitgangspunt is niets mij te min. Het onderscheid tussen tragedies en kluchten is in Engeland veel minder scherp. Je moet gewoon alles kunnen spelen. Ik ben daarna in Leiden Engels gaan studeren, en Theaterwetenschappen in Amsterdam. Daarna speelde ik bij serieuze gezelschappen als De Appel en Mickery.”

Hoe bent u dan de nieuwe koning van de klucht geworden?

„Sinds begin jaren negentig speelde ik in komedies van Hetty Heyting en dat bleek bij mij te passen. Ik speelde een keer mee in een klucht van John Lanting, Drie keer twee is zes teveel, en sindsdien achtervolgde producent Albert Verlinde mij met het voorstel om samen kluchten te gaan maken. ‘De klucht bestaat niet meer’, zei hij, ‘en jij kunt hem tot leven wekken’. Ik heb lang getwijfeld omdat ik bang was dat het mijn carrière zou beperken. Maar hij toonde groot vertrouwen in mij en in mijn schrijfkunst, en dat kan ik zeer waarderen.

„Om mijzelf te behoeden voor beperking, doe ik nog steeds van alles ernaast: musicals, een jaartje cabaret bij Purper, televisie, tekenfilms inspreken. Als eerste klucht hebben we Tel uit je winst gemaakt, dat door Albert Verlinde behulpzaam werd geafficheerd met de strijdkreet: ‘De klucht is terug!’”

Was u daar dan niet gelukkig mee?

„Ik gebruik het woord klucht liever niet, omdat het zo’n bezoedelde term is. In Nederland bestaat een eenzijdig beeld van de klucht. Dat komt mede door John Lanting, met alle respect, die vooral het werk speelde van de Brit Ray Cooney: deurenkluchten over overspel met erg veel dubbelzinnige grappen. Haha, een vrouw in een bh. Maar de klucht is veel breder dan dat. Bovendien, niets veroudert zo snel als seksgrappen. Bij het bestuderen van oude kluchten viel me ook op dat het tempo zo laag lag. Soms kwam de eerste lach pas na vijfendertig minuten. Dat is nu ondenkbaar. In navolging van de Amerikaanse tv-comedy’s moet de eerste lach binnen zeven secondes vallen.”

Waarom maakt u zich druk over de status van de klucht? De liefhebbers zijn toch met een overweldigende meerderheid?

„Maar het is niet leuk om van vakgenoten altijd neerbuigende onzin te moeten horen over de klucht. Bovendien wil ik graag de klucht vernieuwen en verjongen. Ik vecht tegen het vooroordeel, maar belangrijker is dat ik er zelf meer aardigheid in heb als ik het genre naar mijn hand zet. Ik zou er niet gelukkig van worden als ik de zoveelste Gedonder in het Vooronder zou moeten doen. Dus maak ik liever mijn eigen kluchten, en speel ik graag met de wetten van het genre.”

Zoals?

„Ik ga tegen de verwachtingen in. Ik doorbreek bijvoorbeeld graag de vierde wand. In Oranje Boven haal ik een vrouw uit het publiek om mee te spelen. Dat is ongehoord voor een klucht. In Een rits te ver liet ik een hele scène ‘terugspoelen’, door alles nog eens achterstevoren te spelen. Mijn grote voorbeeld is Fawlty Towers van John Cleese. Ik probeer ik mijn kluchten sneller en absurdistischer te maken. Zo schiet ik in Oranje Boven opeens een meeuw uit de lucht. Nee, dat zat er vanavond niet in, omdat de meeuw steeds in zijn kastje bleef steken.”

Kan dat zomaar? Ik dacht dat de klucht een precair netwerk van afspraken was, een uurwerk waaraan je niet zomaar iets straffeloos kan veranderen.

„Dat is ook zo. Bij kluchten staat het op de tel precies uitvoeren van de choreografie boven de invulling van het karakter. Daarin onderscheidt het zich van ander toneel. Maar binnen die strakke kaders, heb je altijd ruimte voor improvisatie. Je moet toch ook altijd op de zaal inspelen: meedeinen op een lach, of juist een lach tegenhouden om later een grotere te krijgen. Daar moet je gevoel voor hebben, en dat heeft niet iedereen. Hele goede acteurs soms ook niet.

„Ik wil er verder ook niet te theaterwetenschappelijk over doen. Ik zal de laatste zijn die beweert dat we literair kunsttheater op de planken brengen. Het belangrijkste is dat de mensen een hele leuke avond hebben.” (Denkt even na) „Ik weet niet eens zeker of ik er zelf wel om zou lachen.”

Een van de dingen die u niet aanstonden aan oude deurenkluchten was het lachen om homoseksuelen. Toch zit in ‘Oranje Boven’ een uit-de-kast-grap als twee spelers in de trapkast worden betrapt.

„Lachen om homoseksuelen mag best. Ik vind alleen dat de oude klucht flauwiteiten bevat die steeds maar weer op dezelfde thematiek drijft: overspel met mannen met onderbroek op de enkels, gillende meiden en homoseksualiteit. Maar mannen in vrouwenkleding, dat blijft bijvoorbeeld leuk, al eeuwenlang, evenals een man die in een grote pudding valt, of tegen een muur loopt. Leedvermaak dat het met een neuslengte wint van mededogen.”

In ‘Mamma Mia!’ onthult uw personage Harry op het eind dat hij homoseksueel is. Tot mijn verbazing sloeg dat in als een bom.

„Wij dachten dat die onthulling helemaal dood zou slaan, omdat je hem al van mijlenver ziet aankomen. Maar de Britse staf verwachtte er veel van. Volgens de Britten was het in Londen nog altijd een hele schok. En in Japan staken de toeschouwers walgend hun vingers in hun keel. Vergis je niet, we zitten redelijk beschermd in het artistieke wereldje. Daarbuiten is homoseksualiteit helemaal niet zo vanzelfsprekend.”

Hoe was het om uit de kast te komen in Limburg?

„Ik ben pas veel later uit de kast gekomen, op mijn 23e, toen studeerde ik al in Amsterdam. Eigenlijk is ‘uit de kast komen’ niet de goede uitdrukking, want voordien had ik nooit beseft dat ik überhaupt in die kast zat. Ik had altijd relaties met meisjes, ik stond zelfs op het punt om te trouwen met een meisje. Aan jongens had ik nog nooit gedacht. Maar toen werd ik zeer verliefd op Ton, met wie ik inmiddels ben getrouwd. Voor mij was dat ook een grote schok. Ik wist niet eens hoe dat moest, lichamelijk. Ik heb nog lang volgehouden dat ik geen homo ben, maar dat ik toevallig van deze ene man hou. Maar inmiddels zeg ik voor de helderheid: ja, ik ben homo.”

‘Oranje Boven’ tournee t/m 6 mei. Inl. 0900-9203 of www.oranjeboven.nu.