Een klamme deken van bestuurstoezicht

Op 8 december behandelt de Eerste Kamer wetsvoorstel 31.828, met de weinig opwindende naam ‘Wijziging Wet op het primair onderwijs inzake de invoering van bekostigingsvoor-schriften voor minimumleerresultaten en de verbetering van het intern toezicht’. Het was ook niet bedoeld om prikkelend te zijn, want het gaat deels om regels op grond waarvan de overheid slecht presterende scholen financieel kan afknijpen, en vooral om voorschriften op het gebied van bestuur en toezicht van scholen. Kort samengevat, bestuur en toezicht moeten gescheiden worden. Een school mag in principe zelf beslissen hoe zij dat regelt, maar moet dat wel precies opschrijven en bij een volgend bezoek van een inspecteur laten zien dat het echt zo werkt. Om het onderwerp toch een beetje leuk te maken, heeft het ministerie van OCW er het etiket ‘Goed onderwijs, goed bestuur’ op geplakt. Twee keer goed, dat kan niet verkeerd zijn, toch?

Ik werd een paar weken geleden gevraagd voor het bestuur van een middelbare school bij mij in de buurt. Ik voelde mij aangesproken op mijn burgerverantwoordelijkheid, maar was er niet zo zeker van of het ook leuk zou zijn. „Mag ik eens komen kennismaken en horen waar jullie als school en als bestuur mee bezig zijn”, was mijn vraag. Dat was prima; er was toevallig een bestuursbijeenkomst gepland met een presentatie van een koepelorganisatie over ‘Goed onderwijs, goed bestuur’, dus daar kon ik mooi bij aanschuiven.

De moed zonk me in de schoenen. Hier was een school die niet is opgenomen in een grotere scholengemeenschap, een zogeheten eenpitter, die prima draait met een goede rector en conrector, een gemotiveerd docentencorps en leerlingen die zich betrokken voelen. Er is een klein bestuur van zes onbezoldigde vrijwilligers, allemaal vrouwen, er is een medezeggenschapsraad en een ouderbestuur. Met zijn allen houden die met aandacht, betrokkenheid en soms de nodige strubbelingen de school aan het draaien, al zestig jaar lang en met succes. Moet daar nu een afzonderlijke toezichtslaag op worden gezet die toezicht houdt op het bestuur – een bestuur dat op zichzelf al een extra laag is boven een directie die ook al met allerlei rapportage-, verantwoordings-, vastleggings- en inrichtingseisen te maken heeft die met het eigenlijke onderwijs weinig te maken hebben? En dat moet geleverd worden door vrijwilligers, voor wie de enige vergoeding of beloning bestaat in het besef dat ze een goede zaak dienen? Die goede zaak, en het genoegen erin, raken bedolven onder bergen papier en protocollen. De eerste vraag die na de presentatie bij me opkwam was dan ook, waar de mogelijkheden tot burgerlijke ongehoorzaamheid liggen. Niet omdat ik een aangeboren neiging heb tot saboteren, maar omdat hier iets dat al zestig jaar goed werkt op basis van inzet en vrijwilligheid, wordt gefnuikt.

Twintig jaar geleden ontdekte de overheid het klatergoud van de markt, en alles moest geprivatiseerd worden. Marktwerking zou ons redden, en de invisible hand zou ons ontslaan van de verplichting zelf principiële keuzes te maken. Nu de markt niet uitsluitend gelukzalige welvaart en groei blijkt op te leveren maar ook het stropersvolk van Enron, Lehman en Madoff, keren we ons om en lopen achter een nieuwe rattenvanger aan. Deze heet governance, bestuurstoezicht in het Nederlands. Dat hebben ze in de marktsector bedacht om de wildemannen in toom te houden, dus dat moet in de publieke sector ook werken. Bovendien is er geld mee te verdienen, want al die toezichthouders moeten betaald worden. Om daar alvast een voorproefje van te geven, een paar maanden geleden kreeg de minister van OCW een ‘Toolkit Toezicht Onderwijs’ aangeboden. Die was daar blij mee, zei hij. Die toolkit – waarom geen gereedschapskist? – bevat niet minder dan 47 checklists, en is volgens de VO-raad, de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs, samengesteld door „de PO-Raad, de VO-Raad, het platform voor toezichthouders in het MBO, VOS-ABB, het Platform voor Raden van Toezicht van mbo-instellingen, PricewaterhouseCoopers en Van Doorne NV.” Dat zijn heel veel belangen bij elkaar, heel veel arbeidsplaatsen ook. De checklists „bestrijken alle denkbare activiteiten waarmee met name de toezichthouders te maken kunnen krijgen.” En waar ze zich dus ten koste van veel uren mee gaan bemoeien, want als er eenmaal zo’n toolkit is, krijg je last als je het niet doet.

Vrijwilligers kunnen tegen dit geweld nooit op. Hun bijdrage was niet het hitsige testosteron van de markt of de klamme deken van het toezicht, maar de eenvoudige betrokkenheid van het goede huishouden. Ging er nooit iets fout dan? Ja, natuurlijk, maar dat was dan altijd op de beperkte schaal van de afzonderlijke school. Het is onzinnig, contraproductief, duur en demotiverend om naar aanleiding van enkele ontsporingen de last van een verplichte toe-zichtstructuur op te leggen aan een hele sector. Anders dan in de markt zijn hier geen wildemannen om te beteugelen. Meer dan een maatregel die goed is voor het land, lijkt het wetsvoorstel een machiavellistische greep naar nog meer macht van het onderwijsmiddenveld, van de mensen die aan vergaderen en overleg een dagtaak en broodwinning hebben. Zie onder anderen de samenstellers van de toolkit, die met glimmende ogen hun aasje in de visvijver hebben gegooid en klaar staan met hun schepnet.

Eén ding dat voorspelbaar fout zal gaan is het verdwijnen van de vrijwilliger-bestuurder, en de sfeer van bijdragen op grond van lokaal gewortelde betrokkenheid en burgerfatsoen. De Volkskrant staat in ieder geval op zaterdag al vol met wervingsadvertenties voor leden van raden van toezicht in het onderwijs. Het zij de Volkskrant gegund, maar de uitkomst is een monocultuur van beroepstoezichthouders, merendeels mannen, zonder speciale band met de scholen waar ze over gaan, en met salaris.

Het wetsvoorstel waar de Eerste Kamer zich over moet uitspreken, legt opnieuw een beklemmende last op het onderwijs. Als dat verkeerd uitpakt – en dat is niet uitgesloten, de overheid heeft immers de laatste decennia ruimschoots aangetoond dat de marktsector niet het monopolie heeft op stommiteiten – dan gaat er niet iets fout met een enkele school, maar lijdt de hele onderwijssector schade. En met haar de economie en de samenleving.