Een ban op 'short sellen' is overdreven

Beleggers die speculeren op dalende beurskoersen zijn sinds het begin van de crisis een doelwit geweest voor aanvallen van de toezichthouders. Na diverse ad hoc-verboden van het zogenoemde ‘short gaan’ wil Engeland zijn financiële toezichthouder (de FSA) nu de wettelijke bevoegdheid verlenen om deze praktijk naar believen aan banden te leggen.

Bij ‘short gaan’ gaat het om de verkoop van geleende aandelen, met de bedoeling ze later terug te kopen tegen een hopelijk lagere prijs. Algemeen wordt aangenomen dat deze praktijk de crisis heeft verhevigd, doordat zij scherpe dalingen van bankaandelen teweeg heeft gebracht, die het vertrouwen verder hebben ondermijnd. Maar het is lang niet zeker dat een grootschalig verbod op ‘short gaan’ veel verschil zou hebben gemaakt. De aandelenkoersen van banken, die vorig jaar onderworpen waren aan beperkingen op het ‘short gaan’ zijn desondanks scherp gedaald.

Het aan de toezichthouder verlenen van de bevoegdheid om het ‘short gaan’ in willekeurig gedefinieerde ‘uitzonderlijke’ omstandigheden te verbieden, lijkt geen goed idee. In Engeland zullen beleggers die speculeren op koersdalingen enige geruststelling ontlenen aan de eigen scepsis van de FSA over de noodzaak van directe beperkingen van hun activiteiten. Maar de Amerikaanse beurswaakhond SEC heeft een meer interventionistische koers bepleit. Zij overweegt een nieuwe versie van haar aloude ‘uptick’-regel in te voeren, die moet voorkomen dat kelderende koersen ‘shortposities’ uitlokken, tenzij ze net daarvoor kortstondig zijn gestegen. Zulke beperkingen kunnen de markt verstoren zonder noodzakelijkerwijs koersdalingen een halt toe te roepen.

De FSA lijkt de voorkeur te geven aan een openbaarmakingsplicht als instrument om de activiteiten van ‘shortsellers’ te controleren. Britse beleggers moeten momenteel ‘shortposities’ van 0,25 procent of meer bekendmaken, maar de toezichthouder is geneigd gevolg te geven aan een richtlijn van de Europese Unie, die zegt dat de markt pas moet weten van shortposities van 0,5 procent of meer, met een rapportageplicht aan de FSA voor posities van meer dan 0,1 procent.

Het juiste niveau van openheid is een moeilijke afweging tussen conflicterende beleggersrechten en praktische overwegingen. Maar het zou beter zijn als de toezichthouders een geschikte mate van transparantie afspreken en zich daar vervolgens op verlaten. De FSA mag dan beweren zijn nieuwe bevoegdheden slechts spaarzaam te zullen inzetten, de meeste toezichthouders gebruiken hun macht uiteindelijk toch.

George Hay

Vertaling Menno Grootveld

Voor meer commentaaruit Londen:www.breakingviews.com