Strijden uit de tweede hand

In de hedendaagse westerse literatuur zijn geëngageerde romans zeldzaam. Fictie speelt geen rol in het publieke debat. Dat is in andere delen van de wereld wel anders. In landen als Turkije en Indonesië is literatuur een factor van betekenis in het proces van democratisering.

Op de ochtend van 7 februari 2001, als de ouders in het Franse dorpje Cormeilles hun kinderen naar de basisschool brengen, rijdt Jean-Yves Cendrey voor bij het huis van een van de onderwijzers, vraagt hem in te stappen en rijdt hem naar het politiebureau, waar hij aangifte doet van pedofilie. De maanden daarna spreekt Cendrey met de slachtoffers, schrijft hun getuigenissen op, niet met het doel deze te publiceren, maar om over een dossier te beschikken als de rechtspraak in zijn ogen zou falen.

Cendrey wordt belasterd, zelf verdacht, door de gemeenschap buitengesloten – juist door de direct betrokken ouders. Hij heeft een decennialang zwijgen doorbroken. De onderwijzer, van wie velen wisten dat hij kinderen misbruikte, wordt veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf voor drie verkrachtingen en 38 aanrandingen van zesjarige kinderen. Cendrey verhuist met zijn gezin.

Vier jaar later komt Cendrey, schrijver van beroep, op de zaak terug en schrijft een roman. Les jouets vivants, Levend speelgoed, luidt de titel van zijn boek. „Ze gaan mijn vader begraven”, is de eerste regel, „en het is een geweldige dag.” De roman begint met een aanklacht tegen de vader, die de zoon, de schrijver van nu, als kind terroriseerde. „De enige energie die mijn vader me gaf”, schrijft Cendrey, „is die voor hem op de vlucht te gaan.” Hij schetst zijn ontzetting over wat de kinderen werd aangedaan, zijn haat, de weerzin die hem dreef de onderwijzer aan te geven. Hij schrijft zijn boek in de derde persoon, een manier om afstand te creëren tussen de werkelijkheid en zijn eigen emoties.

Cendrey wordt, na de publicatie van zijn boek, overspoeld met brieven van mensen die als kind hetzelfde hebben meegemaakt; of van ouders wier kinderen zelfmoord pleegden omdat ze niet met zo’n verleden verder konden leven. Een van hen was de moeder van Céline, een twintigjarige politieagente die zich met haar dienstpistool een kogel door het hoofd joeg. Ook zij was door haar schoolmeester misbruikt. Over haar schrijft Cendrey in 2007 Corps ensaignant, een wrange verbastering van het Franse ‘corps enseignant’, waarmee het docentencorps in zijn algemeenheid wordt aangeduid (sang = bloed).

„Wat blijft een schrijver anders over”, meldt het voorwoord, „dan te schrijven over deze jonge mensen, zodat ze niet voor altijd in de stilte verdwijnen? De rechterlijke macht had zich kunnen, had zich moeten bezighouden met de schuldigen, de vervolgden, de medeplichtigen. De pers had zich kunnen, had zich moeten interesseren voor de feiten, voor de dwarsverbanden, voor de clans, de groepen, de netwerken. De literatuur hoeft niet aan te klagen, verontwaardigd te zijn, te verdoemen. Ze hoeft niet de weg te wijzen, ze hoeft alleen maar mensen te begeleiden. Het enige wat de literatuur kan, is proberen te zeggen wie ze was, Céline, een beetje licht laten schijnen over haar gezicht, haar gedurende een moment de hand vasthouden.”

De romans van Jean-Yves Cendrey zitten vol woede en verontwaardiging. Ze schreeuwen onrecht van de daken, in een heftige, harde stijl waar je soms van schrikt. Maar literatuur is het, en wat voor literatuur. Literatuur met een gekwetst hart en de ijzersterke wil te getuigen, schuldigen aan te klagen. En slachtoffers een stem te geven.

Dit soort geëngageerde, direct op de maatschappij betrokken, vechtende romans is zeldzaam in de hedendaagse westerse literatuur. In West-Europa zijn wij doorgaans van mening dat ‘literatuur niets moet’, geen stelling hoeft te nemen, geen missie hoeft te hebben, geen lans hoeft te breken. Ego-literatuur, autofictie, biografie en autobiografie zijn in heel Europa populaire genres. Fictie en literaire non-fictie waarin wordt teruggekeken op cruciale of juist onderbelicht gebleven historische perioden zijn nationale bestsellers. Romanliteratuur over de Tweede Wereldoorlog, in wat voor stijl, van wat voor kaliber dan ook, blijft in de meeste landen veel geschreven én veel gelezen.

Het Westen beleeft een tijd van massaal cultuuraanbod, nivellering en ontwaarding van de literatuur , waarbij de traditionele modernistisch-humanistische waarden bij het afval zijn gezet, evenals de ‘hoge’ cultuur en de ‘elitaire’ bewakers ervan. Onlangs betoogde hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, Thomas Vaessens, in een interview naar aanleiding van zijn boek De revanche van de roman, dat literatuur ‘in het publieke debat moet resoneren’. Gebeurt dat niet, meende Vaessens, dan wordt literatuur niet langer serieus genomen.

Inderdaad resoneert literatuur, in Europa en zeker in Nederland, zelden in het publieke debat. Hoogstens trilt de actualiteit ergens mee in de literatuur, bescheiden op de achtergrond. Sommige hedendaagse auteurs proberen in kaart te brengen wat de generatie geboren in de jaren zestig nu karakteriseert en bezighoudt (Jens Christian Grøndahl bijvoorbeeld); welk effect plotseling binnendringend geweld kan hebben op het leven van doorsnee burgers (Juli Zeh, Ian MacEwan, Stewart O’Nan); of hoe de wereld eruit ziet als je je van schrik in een schelp terugtrekt (Sandro Veronesi).

Anderen onderzoeken de confrontatie tussen het eigene en de man van elders (Philippe Claudel); de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog op de menselijke psyche (Henry Bauchau, Knud Romer, Rosetta Loy, Milena Agus, Javier Cercas); of brengen geografisch hun innerlijke zoektocht in kaart (Vassili Golovanov). Een roman die een wandaad van probleemjeugd aan de orde stelt (Herman Koch), of dierenactivisme (Charlotte Mutsaers), vinden we in het Westen al gauw geëngageerd.

Slechts een handvol Europese schrijvers buigt zich literair over het lot van Afrikaanse bootvluchtelingen (Tahar Ben Jelloun) of stelt de hopeloze situatie van asielzoekers aan de orde (Marie Ndiaye). Slechts een enkeling wendt zijn of haar verbeelding aan om indirect te ageren tegen massamoord of misdaden tegen de menselijkheid (Gil Courtemanche). De eerste goede roman over de recente Balkanoorlog heeft pas onlangs een Europees publiek gevonden (Saša Stanišic).

Wij lezen de Max Havelaar en vragen ons af hoe Multatuli’s gedachtengoed heden ten dage vorm krijgt. Wij zien een stuk van Bertolt Brecht of Marcel Proust en proberen parallellen te ontdekken met onze tijd. Wij bezoeken een toneelstuk van Shakespeare en leggen een link met figuren uit het heden.

Bloeden, strijden, vechten doen wij literair uit de tweede hand. Dat is in andere delen van de wereld wel anders. De Indonesische schrijver en dichter Putu Oka Sukanta (70) bijvoorbeeld was een jonge dichter toen hij in 1965 bij de Kudeta werd opgepakt. Hij werd verdacht van communistische sympathieën en verdween voor tien jaar achter de tralies. Na zijn vrijlating bleef hij onder staatstoezicht en mocht hij niet publiceren. In 1999, een jaar na het aftreden van president Soeharto, verscheen van hem Merajut Harkat, een roman over een man die langzaam zijn menselijkheid verliest nadat hij in de gevangenis is beland, zonder te weten waarom. Met zijn werk hoopt Sukanta één ding te bereiken, vertelde hij mij onlangs in Jakarta: „De regering moet haar fouten uit het verleden erkennen. Dat is mijn taak, zolang als ik leef. De slachtpartij van 1965 was een grove schending van de mensenrechten. Die is nooit juridisch onderzocht. Ik wil dat de huidige generatie onze ware geschiedenis kent.”

Natuurlijk, iedere schrijver moet zijn schrijverschap op zijn eigen manier vormgeven, politiek, esthetisch en sociologisch, vindt Sukanta, maar hij moet zich wel realiseren dat zijn talent in dienst staat van de mens. Een schrijver kan beïnvloeden, mensen bewust maken van onrecht en zo mensen opvoeden zonder dwang of repressie. „Een schrijver moet de democratie bevorderen”, zegt Sukanta. „Toen de regering me uit de kleine cel haalde, kwam ik in de grote cel. Ik beschouw het land ook als een gevangeniscel, alleen wat groter. Ik mocht niet schrijven of doceren, dat was misdadig. Ik moest iets anders vinden om economisch onafhankelijk te zijn. Dat werd de alternatieve geneeskunde. Als je geen geld hebt, word je nog steeds onderdrukt. Ik moest vechten om weer menselijk te worden.”

Ook voor zijn jongere Indonesische collega, Ayu Utami (die morgen 42 wordt) is het schrijven niet los te zien van een sociale en politieke context. Nu houdt de schrijfster van Larung en Samans missie zich bijvoorbeeld bezig met actie tegen de zogenaamde Pornography Bill, die de kledingvoorschriften voor vrouwen extreem aanscherpt, een invloed van de groeiende steun voor de sharia in het islamitische Indonesië. Utami, in een schriftelijk interview: „Ik weet niet of je in het huidige Indonesië een schrijver kunt zijn en níet sociaal geëngageerd. Mijn boeken zijn geen politieke pamfletten, maar mijn columns in kranten en tijdschriften wel. Ik lees momenteel publiekelijk toneelteksten voor, die de Pornografiewet bekritiseren. Het is maar één van onze activiteiten in een hele serie aanvallen op die wet. Onze strategie is in het algemeen om lokale tradities weer nieuw leven in te blazen en kritisch denken op allerlei manieren te stimuleren.”

Ook haar literaire schrijverschap vaart er wel bij. „Ik vind het erg moeilijk mijn angsten, mijn rusteloosheid te behouden zonder geëngageerd te zijn in een of ander sociaal gevecht. Je moet altijd bronnen vinden buiten jezelf om je drive tot het schrijven te bewaren.”

Terwijl westerse auteurs het zich kunnen permitteren in hun werk enigszins vrijblijvend te zijn, zich bezig te houden met onderwerpen die hun na aan het hart liggen, hebben schrijvers in een groot deel van de wereld die vrijheid niet of nauwelijks. Ook in Turkije is schrijven verre van vrijblijvend. Perihan Magden, schrijfster van Moord op de boodschappenjongens en Voor wie waren we op de vlucht? verbleef een maand in Amsterdam als writer in residence. Ze ervoer de relaxte sfeer in onze hoofdstad als een verademing. Magden: „Ik kom uit een harde, verscheurde maatschappij. We staan met één voet in Europa, met de andere in Azië. Alleen al het verschil tussen Istanbul en de rest van Turkije is enorm en moeilijk te begrijpen. In tegenstelling tot jullie zijn wij zo’n mengelmoes, je kunt nooit zeggen: dit is een Turk, ook cultureel niet. Iedereen wil ons ontcijferen, maar we zijn onontcijferbaar.”

Magdens romans gaan over adolescenten, pubermeisjes en jongens die overeind proberen te blijven in een absurde wereld die hen vervolgt en hun angst aanjaagt. Dat is niet voor niets. „Turkije is een land in de tienerleeftijd, een verwarrende tussenperiode. We zijn uit onze kleren, uit onze grondwet gegroeid, maar we hebben nog geen nieuwe. We willen meer democratie, maar onze ouders staan het niet toe.”

Haar romans vormen een metafoor voor die crisis. „Mijn ouders zijn geboren in Turkije, er opgegroeid, ik ook, alles lijkt in orde. En toch word ik achtervolgd door dat gevoel nergens thuis te horen.”

Magden schreef dertien jaar columns voor het Turkse dagblad Radikal. Ze begon ermee omdat ze haar brood moest verdienen voor haarzelf en haar dochter. Ze concentreerde zich op de populaire cultuur, later werd ze politieker van toon. „In mijn land kun je nu eenmaal niet níet politiek betrokken zijn, zeker als je schrijft.” In een van haar geruchtmakende columns pleitte ze voor het recht op het hebben van gewetensbezwaren voor militairen, een begrip dat in Turkije volgens Magden niet bestond. „Turkije is een erg militaristisch land.” De column riep agressie op. Ze werd voor de rechter gedaagd, belasterd, uitgescholden en lastiggevallen in de rechtszaal. In 2006 brak ook Orhan Pamuk een lans voor haar, karakteriseerde haar als een moedige vrouw die ‘zonder de bescherming van een rijke man of familie toch haar mond durft open te doen’. „Haar strijdbare onafhankelijkheid en haar onbuigzame geest”, schreef Pamuk, „maken haar precies tot die onafhankelijke vrouw die Atatürk voor zich zag toen hij de Turkse Republiek stichtte.” Dat zagen nationalisten anders.

Ook voor andere columns lopen er nog zaken tegen haar. Magden werd bang, voelde zich ‘als een konijn gevangen in het licht van een schijnwerper’, maar weigerde haar toon te matigen. „Ik vond dat ik in mijn recht stond. Het is mijn werk kritisch te zijn.”

Inmiddels is ‘gewetensbezwaren’ een begrip in Turkije. Dat schenkt haar voldoening, het is niet voor niets geweest. Ook is het omstreden Artikel 301 van het Turkse Wetboek van Strafrecht, dat het beledigen van de Turkse nationaliteit verbiedt, onlangs gewijzigd. Met dit artikel in de hand werden er processen aangespannen tegen vele schrijvers en journalisten, onder wie ook Elif Shafak en Orhan Pamuk. Magden: „Het is een natuurlijke flow naar democratie, een proces dat niet is tegen te houden. Een militair is ook een burger met burgerrechten. Dat is belangrijk. Al die dingen veranderen. Turkije is een maatschappij die voortdurend heftig in beweging is, alsof er iedere dag een aardbeving plaatsvindt.”

In landen als Turkije en Indonesië is literatuur een factor van betekenis in het proces van democratisering. De actualiteit trilt in die literatuur niet mee op de achtergrond, maar dringt zich onherroepelijk naar voren. Een schrijver kan zich vrijblijvendheid niet veroorloven.

De Frans-Afghaanse schrijver, fotograaf en cineast Atiq Rahimi kreeg vorig jaar de Prix Goncourt voor Steen van geduld, een eerbetoon aan de vrouw in het door fundamentalisme geteisterde land. Niets is er over, vertelt hij in Parijs, van het culturele, literaire leven van zijn geboorteland. Alle infrastructuur is vernietigd. Hij onderhoudt contact met jonge Afghanen in Europa, die ontsnapt zijn aan de fundamentalisten, geeft schrijfles in Kabul, begon een Afghaanse tv-serie voor jongeren. Druppels op een gloeiende plaat, realiseert Rahimi zich, zonder enige invloed op de Talibaan. „Het enige wat ik kan doen, is proberen de slaap van die eikels te verstoren. Wakker krijg je ze toch niet.”