School als afspiegeling buurt is 'onzinnig ideaal'

Zwarte scholen hebben meer leraren dan witte scholen, maar presteren desondanks onvoldoende. Amerikaanse onderzoekers verbazen zich.

Hoogleraar Helen Ladd en onderwijsjournalist Ted Fiske hebben de ‘rassenscheiding’ in het Nederlandse basisonderwijs vergeleken met die van het Amerikaanse onderwijs. Hun conclusie: in Nederland zitten leerlingen met verschillende etnische achtergronden minder vaak samen op school dan in de VS. In de vier grote Nederlandse steden zit bijna tachtig procent van de niet-blanke leerlingen op een zwarte school. Over het hele land is dat zeventig procent. In vergelijkbare grote steden in de VS geldt dit voor bijna vijftig procent van de niet-blanke leerlingen.

De Nederlandse definitie van onderwijssegregatie is dat ‘witte’ en ‘zwarte’ scholen pas een probleem zijn als het leerlingenbestand van een school geen afspiegeling is van de buurt. Dat vinden Ladd en Fiske onzin: „Met die definitie worden zwarte scholen in wijken met een meerderheid aan niet-westerse bewoners niet als een probleem gezien. Terwijl juist op deze scholen kinderen een dubbele taalachterstand hebben omdat ze nauwelijks nog Nederlands sprekende mensen tegen komen.”

Ladd en Fiske gebruikten op stadsniveau vijf verschillende definities van onderwijssegregatie. Amsterdam heeft de minste onderwijssegregatie. Den Haag en Utrecht hebben de grootste kloof tussen blanke en niet-blanke leerlingen. De groei van de scheiding tussen leerlingen van verschillende etnische afkomst vindt echter plaats in de middelgrote steden waar het aantal ‘zwarte’ scholen tussen 1997 en 2005 met twintig procent toenam.

Maar is segregatie wel een probleem als achterstandsscholen extra geld krijgen om gelijke kansen te creëren? Uit het onderzoek naar de periode 1997 tot 2006 blijkt dat zwarte scholen 57 procent meer leerkrachten en vaak twee keer zoveel ondersteunend personeel hadden als ‘witte’ scholen zonder achterstandsleerlingen. Voor het onderzoek naar de prestaties van de zwarte scholen gebruikten Ladd en Fiske als eerste onderzoekers de openbare gegevens van de Onderwijsinspectie in de periode 2003-2007 van deze scholen in de vier grote steden. Deze cijfers zijn gebaseerd op zogenaamde kernindicatoren: de Inspectie geeft de school cijfers voor de kwaliteit van de instructie van de leerkrachten, het schoolmanagement en of leerlingen les krijgen op het niveau dat zij nodig hebben. Daarnaast houdt de Inspectie rekening met de samenstelling van de school. Volgens deze normen blijken acht op de tien zwarte scholen onvoldoende te presteren. De verklaring voor het achterblijven van de leerprestaties vonden Ladd en Fiske in de kwaliteit van de instructie door leerkrachten. „Hoewel de scholen meer leerkrachten hebben, zijn de docenten waarschijnlijk niet goed ingesteld op het lesgeven op achterstandsscholen. Een uitzondering vormden de bijna volledig zwarte scholen, die vaak wel voldoende presteerden volgens de cijfers van de Onderwijsinspectie.” Ladd en Fiske verklaren deze laatste uitkomst uit het feit dat het vaak gaat om scholen die al langdurig ‘zwart’ zijn en bedreven zijn geraakt in het lesgeven aan achterstandsleerlingen.

Helen Ladd: „Wat mij verbaast, is dat zwarte scholen extra financiering krijgen én dat de Inspectie rekening houdt met de samenstelling van de school. Dat lijkt me dubbelop. Daarmee verhul je dat er een groot probleem is aan de onderkant van het onderwijs.”

Het ministerie van Onderwijs geeft als reactie dat het gewenste effect van de gewichtenregeling, namelijk het terugdringen van onderwijsachterstanden, voor de periode 2002-2006 wel is gerealiseerd door een afname in taalachterstand van twintig procent en een verhoging van vier procent doorstroom naar havo/vwo. De Inspectie van het Onderwijs verklaart dat er op grond van de uitkomsten van het onderzoek van Ladd en Fiske niet valt te zeggen of de extra financiering aan achterstandsleerlingen wel of geen effect heeft gehad.