Pa, zet die knop om, dan ben je weer normaal

Nicolette Smabers: De man van gas en licht. De Bezige Bij, 302 blz. € 19,90

Familiegeschiedenis. Katholiek. Jaren vijftig en zestig. Den Haag. Indische achtergrond. Daar gaan de boeken van Nicolette Smabers over, elke keer weer. Zij schrijft over een vertrouwd milieu, maar eigenlijk nooit over zichzelf of over haar eigen familie. Dat geldt ook voor De man van gas en licht, haar nieuwe roman, over een meisje dat Eva Porceleyn heet. We zien haar opgroeien van een dromerige kleuter tot een 16-jarige die eraan toe is om ‘een paar ferme stappen’ te zetten, ‘in een of andere richting’.

Smabers laat uit het leven van haar hoofdpersoon drie momenten zien, die steeds met taal te maken hebben en met het gevoel er niet helemaal bij te horen. Als 16-jarige koestert Eva een schrift met moeilijke woorden. Haar juf en haar moeder vinden het schrift raar. Het belandt ‘per ongeluk’ in het kanaal. Ze mag wel een nieuw schrift, maar daar mogen dan alleen gewone woorden in als boom, tafel of stoel.

Als ze tien is, het tweede moment, raakt haar vader overspannen, na de dood van zijn broer Dicky. Eva vermoedt dat het iets met Indië te maken heeft en bezint zich maar weer eens op het woord ‘kampellende’ – uit schuldgevoel, omdat zij als enige van het gezin pas na de oorlog geboren is. Op haar 16de, ten slotte, emigreren haar ouders en broer naar Amerika. Eva besluit in Nederland te blijven omdat ze verliefd is geworden, maar ze blijft via brieven met de familie in contact.

De vraag is natuurlijk wat er met pa Porceleyn aan de hand is. Waar is hij overspannen van geworden? Waarom heeft hij zo’n moeizaam contact met zijn twee broers?

Het heeft te maken met Indië en een lang verzwegen familiegeheim, zo blijkt uit wat wij bij stukken en beetjes te weten komen. Er is ooit, door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, een schooljongen omgekomen. En hij, de kleine Freek, kreeg in zijn eentje de schuld, hoewel zijn twee oudere broers op zijn minst medeplichtig waren.

Aan de ene kant valt er in de roman dus de nodige mismoedigheid te bespeuren: overspannenheid, kampellende, familiegeheim, jeugdtrauma. Aan de andere kant is er een Amerikaanse droom: de vooral door moeder Porceleyn gewenste emigratie naar het zonnige Californië, waar een deel van haar familie al woont. Die droom wordt werkelijkheid als de oma van Eva sterft en er een aanzienlijke erfenis blijkt te zijn.

Deze twee kanten van het familieverhaal, treurnis om vroeger en hoop op toekomstig geluk, weet Smabers niet goed tot een vloeiend geheel te smeden. De ene situatie gaat nogal abrupt over in de andere. Pa zet halverwege de roman een knop om en wordt zomaar weer normaal, terwijl het grote familiegeheim dan nog niet eens is onthuld.

Zo wringt er wel meer in deze roman. Smabers schrijft goed. Net als in Chinezen van glas (1991) en Stiefmoeder (2003) wemelt het van de mooie zinnen, van spitsvondigheden en fijnzinnige observaties. Maar wat ontbreekt is een dwingend verband, of een hiërarchie. De vele huishoudelijke details en de eindeloze, soms lastig te volgen familieperikelen verduisteren het zicht op het geheel. Alles is kennelijk even belangrijk in dit boek. De geborduurde schilderijtjes met wijze spreuken van de Amerikaanse oma krijgen evenveel verhalend gewicht als de ‘legenden’ over Josephus Porceleyn, de Indische stamvader. We worden overspoeld met futiele feiten: een scooter die gewonnen is met een kruiswoordpuzzel, gekibbel over telefoontikken, de echtscheidingsperikelen van een jong stel.

Een probleem is ook dat de romanfiguren aan de bleke kant zijn. De puzzelgrage echtgenote, de studentikoze broer, de bemoeizuchtige tante, de gulzige oom, de tuttige nicht, de artistieke geliefde – ze komen niet uit de verf. Ook Eva zelf is een behoorlijk gewoon meisje. Ze heeft geen uitzonderlijke gedachten en doet niets buitensporigs. Zelfs haar verliefdheid brengt amper leven in de brouwerij.

Af en toe kruipt de roman uit zijn schulp – als pa Porceleyn ofwel Freek de Fantast aan het woord is. Een mooie passage, van reviaanse allure, is de tragikomische doodbedscène waarin Freek zijn overleden broer Dicky toespreekt, ‘van man tot man’, terwijl de familie op de gang ademloos meeluistert.

Dicky is bezweken na het eten van een Indisch kipgerecht. Freek houdt de dode voor dat hij plaatsvervangend is gestorven, voor hun oudste broer die door Freek ‘de Vreetzak’ wordt genoemd. ‘Kennelijk moest jij deze boete alvast voor hem doen.’ Daarom, zo redeneert Freek, is het ook eerlijk dat de oudste broer, op zijn beurt, de schulden van Dicky op zich neemt, inclusief de kosten van de begrafenis. ‘Ikzelf heb geen sou’, voegt hij er voor alle duidelijkheid nog even aan toe.

Misschien moet Nicolette Smabers nu maar eens over iets anders gaan schrijven dan over Den Haag, het katholicisme, Indië en de jaren vijftig en zestig. Of, dat kan ook, over dit onderwerp nu eens een hoogstpersoonlijke geschiedenis schrijven waarin er voor haar werkelijk iets op het spel spel staat – en waarin geen geleend, maar een eigen geheim wordt onthuld.