Ook in een rolstoel moet je vechten voor je rechten

Bijna 500 Rotterdammers debatteerden gisteren over hun stad. Er was boosheid, maar ook blijdschap dat de dingen eindelijk eens gezegd konden worden.

Allemaal leuk en aardig, zo’n debat, maar dialoog helpt niet echt, zei hoogleraar Pauline Meurs gisteravond tijdens een groot stadsdebat tussen Rotterdammers, wetenschappers en politici. Het ging over angst voor maatschappelijke veranderingen, angst voor etnische diversiteit vooral. „Praten bevestigt vaak juist vooroordelen”, zei Meurs. „Je identificeert je pas met elkaar als je samen aan het werk gaat. Met dialoog alleen kom je er niet. Dus: bouw samen eens een buurthuis.”

Een verontwaardigde reactie van Inge Krooswijk uit Hillesluis (Rotterdam-Zuid) volgde. „Ik ben jarenlang leesmoeder geweest op een zwarte school. Ik doe genoeg met anderen. Maar ze moeten wel de taal spreken!”

Dat taal belangrijk is, daar waren ze het wel over eens, de 476 Rotterdammers die gisteren bij elkaar kwamen in het WTC. Ze waren jong, oud, autochtoon en allochtoon, geboren en getogen ‘op Zuid’ of als gastarbeider gekomen in de jaren zestig.

Over hoe ze beter zouden gaan samenleven werden ze het niet eens. „Ik zie mensen die leven van subsidies, terwijl anderen zich rot vechten en niets krijgen”, tierde Krooswijk. „Ik wil niet horen dat je subsidies wil”, zei ze tegen nieuwe Rotterdammers. „Je doet met ons mee!”

Wij hebben ook genoeg te klagen, zei een ander. „Onze mensen komen in de knel.” De reactie: „Weer die slachtofferrol!”

Ach, al die negativiteit, klonk het aan de andere kant. „Ga toch eens uit van wat er wél goed gaat.”

Die opmerking kwam uit de hoek van ‘tevreden burgers’, door moderatoren Fons de Poel en Samira Bouchibti tegenover hun ontevreden stadsgenoten gezet. In die laatste groep zat Mohammed Cheppih, initiatiefnemer van de Poldermoskee in Amsterdam. „Ik ben inmiddels ex-Rotterdammer. Rotterdam is geen fijne stad meer. Mensen leven langs elkaar heen.”

Maar hoe doe je dat dan, samenleven? Marco Pastors, lijsttrekker van Leefbaar Rotterdam: „Als je naar Nederland komt, ga er dan van uit dat je je identiteit behoorlijk moet aanpassen. Iedereen in dit land moet moderne opvattingen hebben over seksualiteit.”

Cheppih: „Wat wilt u nou van mij? Ik wil mezelf zijn binnen de wet. Of mag ik alleen burger zijn onder uw voorwaarden?”

Respect is het toverwoord, zei een ander. Een man in een rolstoel: „Ik moet ook vechten voor mijn rechten. Dat gaat redelijk. Als je zelf niks doet, gebeurt er niks.”

Irritaties kwamen naar boven. Over luidruchtige buurtgenoten die de nachtrust verstoren. Over een gebrek aan activiteiten. En over dat buurthuis dat er nog steeds niet staat. „Dames en heren, het gaat om angst”, riep Bouchibti nog maar eens. Toen een meisje vertelde dat haar Marokkaanse achtergrond weleens botste met de Nederlandse waarden over homo’s, wilde een homoseksuele Rotterdammer het best toegeven: „Ik hoor soms dat ik van een flatgebouw gegooid moet worden. Ik ben inderdaad een beetje bang.”

Minister Van der Laan (Integratie, PvdA) bekende na afloop: „Te lang mocht hier niet over gepraat worden. Daarover heb ik een gevoel van schuld. Het was echt niet één bepaalde partij, de politiek heeft massaal zitten suffen.”

Nog steeds geeft de overheid te weinig duidelijkheid over rechten en plichten, oordeelde Paul Scheffer, schrijver van Het multiculturele drama. „Maar tien jaar geleden, toen ik over dit onderwerp begon te schrijven, was ik veel pessimistischer. Nu zie ik dat veel meer duidelijk wordt benoemd.”

Heel goed, dat Rotterdammers elkaar in het debat flink de waarheid zeiden, vond ook burgemeester Aboutaleb. „Ik ben opgegroeid met de wijsheid dat na hard poetsen glans kan ontstaan.”