Neigen

De plant die ik ooit kocht omdat hij zo mooi rechtop stond, hangt scheef. Ik heb er een stokje naast gezet, en de stam aan het stokje gebonden. Nu hangt ook deze versteviging uit het lood.

Ik weet niet hoe de plant heet. Hij is onverwoestbaar. Hij heeft een hoge dunne stam, waaraan kleine takjes ontspruiten met blad in de vorm van een zwaaiende hand. Deze plant is optimistisch, dat zag ik meteen. Ik zette hem in de vensterbank, voor mijn werktafel.

Ik geef hem eens in de maand water, wanneer ik zie dat het bovenste blad slap omlaag hangt. Zijn blad hangt nu al heel lang slap. Zou ik hem te veel water hebben gegeven? Is hij zijn optimisme ontgroeid?

Ik probeer eraan te wennen dat mijn plant voortaan niet meer fier en opgewekt rechtop staat. Je kunt niet je hele leven hoopvol blijven.

Nu zie ik dat de rozentakken die buiten aan de regenpijp zijn vastgebonden onder eenzelfde hoek als de plant neerzijgen. En ook de boom aan de kade heeft dezelfde hoek gezocht om zijn stam opzij te laten zakken. De planten en de boom zoeken elkaar op in een aandoenlijk, hellend beeld.

Mijn belangstelling voor slapte en scheefte heeft te maken met het feit dat ik 39 graden koorts heb. Omdat iedereen in mijn omgeving net als ik door griep is geveld, kan ik niet in bed gaan liggen wachten op een kom soep. Ik heb besloten afleiding te zoeken.

Op de voorkant van de Volkskrant van vorige week donderdag, die nog als placemat op mijn bureau ligt, hangen auto’s scheef op een parkeerplaats. „Een lange stoet auto’s staat in de rij voor een drive-in dokterkliniek in de Californische stad San Pablo”, luidt het onderschrift. De auto’s neigen naar rechts. Nog iets schever, en de hele stoet valt om. Te zien is hoe een moeder de arm van haar dochter ontbloot om haar te laten injecteren met het vaccin tegen de Mexicaanse griep. Ze rollen bijna uit de auto.

Ik moet nog beslissen of ik mijn kinderen laat inenten.

Het is de bedoeling dat ik ze meeneem naar een van de hallen in de RAI, waar duizenden moeders met kinderen zullen zitten wachten op het vaccin. Het idee van duizenden huilende kinderen en nerveuze moeders, als slachtkippen in een kooi, is genoeg om er ver bij uit de buurt te blijven.

Ter afleiding zet ik de vazen die naast de plant in mijn vensterbank staan, scheef tegen de pot. Een glas met potloden plaats ik er tegenaan. Het is mooi om te zien hoe alles net niet omvalt: dit zou een vorm van optimisme kunnen zijn.

Gesterkt door deze mogelijkheid trek ik een boekensteun uit de kast en zie tot mijn genoegen de boeken met een dof geroffel één voor één opzij denderen. De leeslamp staat ook al veel te lang rechtop. Met een klein duwtje hangt hij prachtig uit het lood. De verhuisdozen die ik nog steeds moet weggooien laten zich met groot gemak omduwen.

Ik ga naast de plant staan, en laat mijn lichaam opzij hellen, tot ik evenwijdig hang aan zijn stam. Het kost moeite om zo te blijven staan, maar ik voel hoe ik deel word van een groter geheel. Ik ben één met het plantenrijk in en voor mijn venster. Ik denk dat de planten en de boom het ook weten.

We neigen naar optimisme.