Mijn delinquenten zijn allemaal puppy's

Ton Anbeek: Vast. Podium, 251 blz. € 18,50.

‘Hee doekoeloze stronzo, release je flitte pel-de-pinda-moment en croftige kaka-info eens!’ Mocht u zo op straat aangesproken worden, en niet onmiddellijk de strekking van de opmerking begrijpen, er bestaan tegenwoordig handige woordenboekjes voor straattaal, die Prisma in 2006 op de markt heeft gebracht. En het lijkt wel alsof dat het startschot is geweest voor de Salonfähigkeit van het bonte mengsel van Nederlands, Papiaments, Turks, Marokkaans en Engels dat sommige jongeren in de Randstad spreken. Onlangs maakte dichter des vaderlands Ramsey Nasr zelfs een volledig in straattaal geschreven lofzang op Rotterdam. En nu waagt ook de Leidse emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Ton Anbeek zich daaraan.

Anbeeks laatste roman Vast gaat namelijk over een jeugd-tbs, die wordt bevolkt door opgefokte Marokkaanse, Antilliaanse en Nederlandse schoffies. En om die setting overtuigend neer te zetten, kunnen termen als ‘matties’, ‘tatta’s’, ‘dushi’s’ en ‘pancha slaan’ natuurlijk niet ontbreken. Maar op de een of andere manier komt het allemaal niet erg geloofwaardig over, zodat je gaat vermoeden dat de gepensioneerde hoogleraar inderdaad met een woordenboekje straattaal op schoot aan zijn roman heeft zitten werken. Dat is niet het geval geweest, zo verzekert de achterflap ons: Anbeek heeft grondig research gedaan, waaronder ‘een aantal bezoeken aan een gesloten inrichting in Lelystad’.

Waarom maakt Vast dan toch zo’n onnatuurlijke indruk? In de eerste plaats omdat de roman van Anbeek een duidelijke politieke boodschap heeft: jeugdcriminaliteit ontstaat door gebrek aan liefde, zorg en structuur in de opvoeding, maar in de gevangenissen worden de jongeren volledig aan hun lot overgelaten, zodat hun situatie daar eerder verslechtert dan verbetert. Deze visie dicteert al volledig de psychologie van Anbeeks personages: het zijn in wezen best goeie jongens, ze weten alleen niet met hun agressie om te gaan. Al te duistere karakters komen dan ook niet aan bod. Anbeeks jeugddelinquenten zijn stuk voor stuk ‘puppy’s’ die vals zijn geworden omdat ze te vaak geslagen zijn.

Maar wat echt stoort, zijn de literaire volzinnen waarin de twee hoofdpersonen telkens per ongeluk in vervallen. Ronnie, de Antilliaans- Nederlandse verteller van het verhaal, zegt dingen als ‘de ochtend rekt zich uit’, of hij beschrijft de tred van een medegevangene met de zin: ‘En hij danst weg, elke dag dunner, het lijkt al of hij bijna geen schaduw meer werpt.’

Anbeek probeert het bovengemiddelde taalgevoel van zijn ik-persoon nog wel geloofwaardig te maken door hem als een overgevoelige, onbegrepen outsider te portretteren, de enige in de inrichting die wel eens een boek leest (van Stephen King). Maar juist dan wordt de vraag naar de donkere, agressieve kanten van het hoofdpersonage des te prangender. En die wordt niet overtuigend beantwoord – vasthoudend als Anbeek is in zijn maatschappelijke missie als romanschrijver.

‘Straatrumoer’ in de literatuur, waarvoor Anbeek al in 1981 pleitte, is niet per se hetzelfde als maatschappelijk engagement. In Vast wordt het juist gesmoord door goede bedoelingen.