Leven van de belofte lukt niet meer

Nooit eerder was de biotechnologische industrie er zo slecht aan toe. Wereldwijd. Ze hongert naar geld.

Topman Simon Sturge van het Leidse biotechnologiebedrijf OctoPlus vecht om zijn onderneming weer financieel gezond te krijgen. Om te besparen ontsloeg hij een kwart van het personeel (150 mensen). Hij gooide de koers van het bedrijf radicaal om. Niet langer zal OctoPlus (sinds 1995) nieuwe medicijnen ontwikkelen, maar geeft het zijn technologie in licentie aan anderen. Het beursgenoteerde bedrijf zal zich zelf verder toeleggen op laboratoriumdienstverlening. „Zonder de strategiewijziging waren we nog steeds een geldverslindend onderzoeksbedrijf geweest”, zegt Sturge.

OctoPlus werkt aan een futuristische technologie, geleidelijke medicijnafgifte door minuscule injecteerbare bolletjes. De belofte is dat hiermee de dosering van allerhande medicijnen nauwkeuriger te bepalen is en dat de injecties veel langer werkzaam zijn. Maar ondanks de grote potentie van de technologie had OctoPlus de grootste moeite financiers te vinden. Eind vorig jaar ging het bedrijf daar bijna aan ten onder. Alleen door in allerijl verstrekte overbruggingskredieten bleef het in leven.

OctoPlus is niet de enige. Het van oorsprong Nederlandse bedrijf Genmab, dat medicinale antilichamen produceert tegen verschillende vormen van kanker en dat in Kopenhagen beursgenoteerd is, kondigde onlangs aan de helft van zijn personeel (300 mensen) te willen ontslaan, wegens bezuinigingen. Het bedrijf sluit ook een productiefaciliteit in de Verenigde Staten. „Dit is van vitaal belang voor de overleving van het bedrijf”, zegt bestuursvoorzitter Lisa Drakeman telefonisch vanuit Kopenhagen.

Biotechnologiebedrijven zoeken naar nieuwe manieren om te overleven. Van alle sectoren is bij de biotechnologie de recessie wel het hardst aangekomen. Investeerders en beleggers zijn massaal risico gaan mijden. Ze weigeren nog langer geld te steken in bedrijven die hun waarde nog moeten bewijzen.

Volgens cijfers van consultant Ernst & Young slonk in 2008 de totale financiering (via aandelenemissies, durfkapitaal, obligaties en bankkredieten) van de wereldwijde biotechnologie met de helft, in Europa zelfs met 68 procent. „Niet eerder was het investeringsklimaat voor de biotechnologiesector zo slecht”, zegt Jules Verhagen, biotechnologie-expert bij Ernst & Young in Amsterdam. Bijna 40 procent van de in totaal 178 beursgenoteerde biotechbedrijven in Europa heeft nog voor minder dan een jaar geld in kas. „Het water staat hen aan de lippen”, zegt Verhagen. Hij verwacht een golf van faillissementen. „De problemen dienen zich het eerst aan bij de beginnende bedrijven die moeite krijgen vervolgfinanciering te vinden.”

Jan Wisse, directeur van de Nederlandse brancheorganisatie van biotechnologiebedrijven NIABA, relativeert een beetje de ernst van de situatie. „Normaal heeft een kwart van de bedrijven geld voor minder dan een jaar.” Onzekerheid over de financiering hoort een beetje bij deze sector, wil Wisse maar zeggen.

Het bedrijfsmodel van biotechondernemingen wijkt inderdaad af van dat van gangbare ondernemingen, beaamt Marcel Wijma, zelfstandig adviseur bij Van Leeuwenhoeck Research in Den Haag. „Ze leven van de belofte.” En die belofte maakt dat het soms wel tien jaar duurt voordat duidelijk wordt of het bedrijf ooit wel winst zal maken. Vrijwel alle biotechbedrijven gaan daarom allianties aan met grote farmaceuten. Allianties leveren potentieel miljoenen op, maar de kosten gaan voor de baten uit en succes is niet verzekerd. Biotechbedrijven blijven daarom ook afhankelijk van andere financieringsbronnen.

Hier doet de crisis zich gelden. De bereidheid om deals te sluiten met de farmaceutische industrie is „groter dan ooit tevoren”, zegt Sturge van OctoPlus. De farmaceutische industrie kan op haar beurt selectiever zijn, omdat er meer keuze is. Volgens Sturge zijn biotechbedrijven door de omstandigheden ook eerder bereid zich in zijn geheel aan een farmaceutische partner te verkopen.

De succesvolle voorbeelden in de sector hebben allemaal een samenwerking met de farmaceutische industrie, zegt Marcel Wijma. Zoetjesaan worden enkele van deze bedrijven overgenomen door hun grote partner. „Die heeft door de samenwerking een aardig kijkje in de keuken kunnen nemen en kan dus als de tijd rijp is zijn slag slaan”, zegt hij.

Dat moment breekt meestal aan als een veelbelovend medicijn het testonderzoek goed heeft doorstaan. Eerder kopen zou goedkoper zijn, maar de grote farmabedrijven kiezen vaak voor zekerheid. De farmaceutische industrie en de biotechnologie zijn tot elkaar veroordeeld. De industrie is van de biotechbedrijven afhankelijk om de ‘pijplijn’ van nieuwe medicijnen op te vullen. Door afloop van octrooien moet er iets gebeuren. „Ze moeten nieuwe kaskrakers zien te vinden”, zegt Verhagen van Ernst & Young. De farma-industrie is traditioneel gericht op symptoombestrijding. „Biotechnologie richt zich meer op daadwerkelijke genezing, doordat het hier gaat om het begrijpen van het ziekteproces en daarop ingrijpen”, zegt adviseur Wijma.

De farma-industrie heeft inmiddels al 30 tot 50 procent van haar onderzoek en ontwikkeling ondergebracht bij kleine biotechbedrijfjes. Als die het financieel niet redden, zal de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen op zijn minst vertraging oplopen, zo waarschuwt Europabio, de Europese belangenorganisatie van de biotechnologische industrie. Uit onderzoek van Europabio blijkt dat driekwart van alle 1.836 Europese biotechbedrijven het afgelopen jaar er niet in slaagde voldoende financiering te vinden voor hun geplande onderzoeksactiviteiten. De bedrijven zien zich genoodzaakt hun onderzoeksprogramma drastisch terug te schroeven, personeel te ontslaan, en duur onderzoek uit te stellen. Verhagen van Ernst & Young: „Nu is de solvabiliteit van de banken laag, en daarom zijn die gaan financieren op basis van kasstromen. Biotechbedrijven hebben nauwelijks inkomsten, en die krijgen dus geen krediet.”

Het durfkapitaal, een belangrijke inkomstenbron voor biotechbedrijven, bleef aanvankelijk redelijk op niveau. Maar volgens Verhagen zijn ook deze fondsen voorzichtiger geworden, en blijven ze eigenlijk alleen bestaande investeringen versterken. „Ook hier droogt het kapitaal op.”

Er bestaat weinig optimisme over een snel herstel van de biotechnologie. Doorgaans krijgt een beginnende onderneming eerst geld van een kapitaalfonds, vervolgens durfkapitaalinvesteringen, gevolgd door een beursgang en ten slotte volgt overname door de farmaceutische industrie. De meest succesvolle biotechbedrijven van het moment hebben zich allemaal min of meer losgemaakt van de verslaving aan vreemd kapitaal. Ze hebben een ‘bijbaantje’ gezocht; een ‘verdienmodel ingebouwd’ in hun anders langdurig verliesgevende bedrijfsvoering.

Zo heeft Crucell zich door overnames in de markt gepositioneerd als producent van traditionele vaccins. De winst hieruit verschaft Crucell het kapitaal dat nodig is om zijn biotechnologische vaccins verder te ontwikkelen. Een ander voorbeeld is het Nederlands-Belgische Galápagos, dat een techniek heeft ontwikkeld om ‘startpunten’ voor nieuwe medicijnen te ontwikkelen. In alliantie met verschillende farmaceutische bedrijven ontwikkelt Galápagos nieuwe geneesmiddelen. Dat onderzoek wordt deels ook bekostigd uit dienstverlening aan universiteiten en bedrijven (zie: ‘Geen last van crisis’). OctoPlus heeft vanaf de oprichting in 1995 inkomsten gegenereerd uit dienstverlening en volgt hiermee een vergelijkbare strategie als Galápagos. En sinds februari heeft de Britse farmareus GlaxoSmithKline als teken van vertrouwen een belang (nu 16,9 procent) in OctoPlus genomen.

Volgens adviseur Marcel Wijma, voorheen beursanalist voor de sector, „hoort biotechnologie eigenlijk niet thuis op de beurs”. De biotechnologiesector is volgens hem heel ondoorzichtig voor de belegger. Onderling zijn de bedrijven lastig te vergelijken, omdat ze allemaal iets verschillends doen, met andere consequenties voor hun risicoprofiel. Het vergt nogal wat technische kennis om precies te begrijpen wat zij doen. Wijma: „Daardoor leidt ieder flintertje informatie al tot heel sterke koersontwikkelingen. Dat gaat soms met tientallen procenten tegelijk. Ze worden als een stuiterbal heen en weer gekaatst.”

De koersen van biotechaandelen hebben volgens Wijma dan ook de neiging weg te kwijnen als bedrijven een tijdje niets te melden hebben. Daardoor gaat er onnodig waarde verloren. „Er worden wel meters gemaakt, maar die ziet het bedrijf niet beloond in een stijgende koers”, zegt hij. Daarom denkt hij dat deze bedrijven beter gefinancierd kunnen worden met durfkapitaal dan ze zo op de beurs te gooien. „Bij verkoop worden deze bedrijven altijd hoger gewaardeerd dan nu de prijs is op de beurs.”

Topman Simon Sturge van OctoPlus heeft op de korte termijn ook niet meer zo’n vertrouwen in de aandelenmarkt. Die trekt de laatste maanden wel meer geld aan, maar volgens hem niet doordat er een fundamentele verbetering van de markt aan ten grondslag ligt. De investeringsbereidheid neemt vooral toe omdat de rente zo laag is, zegt Sturge. „Op dit moment geeft beleggen simpelweg het meeste rendement. Als de rente weer omhooggaat kunnen beleggers zo weg zijn.”