Landjepik bij de Khoi en de San

Bea Brommer, Leon Hattingh, Dan Sleigh en Hein Zielstra: Afrika/Africa. Deel V van de Grote Atlas van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Asia Maior, 420 blz. € 295,- (t/m 31/12, daarna 350,-)

Een van de onthullendste afbeeldingen van de ongeveer 600 die deze monumentale atlas bevat, is een primitieve pentekening uit 1646. De tekenaar was een man uit Thüringen, Schmalkalden geheten, die zijn fortuin eerst zocht bij de West-Indische Compagnie en later bij de VOC. Hij kon bij terugkeer dus meer vertellen dan menig dorpsgenoot en bracht daarbij als bewijs zijn tekeningen mee terug.

We zien de Tafelbaai, gedomineerd door de Tafelberg waarvan de top uit een soort natuurstenen brokken lijkt te zijn gemetseld. In de baai dobberen drie Nederlandse schepen, maar het centrale deel van de voorstelling is het langzaam oplopende gebied van de kust tot de voet van de Tafelberg. Daar hebben de Nederlanders twee tentjes opgezet; er is een afscherming opgetrokken, in de luwte waarvan drie mannetjes een vuurtje stoken. Links is een twintigtal figuren weergegeven die de oorspronkelijke bewoners voorstellen, de Khoi of de San, die destijds Hottentotten werden genoemd. Van Nederlandse kant wordt op hen geschoten en een van de Khoi of San stort dodelijk getroffen ter aarde. Welkom in Zuid-Afrika.

Ook dit vijfde deel van de magistrale reeks van getekende land- en zeekaarten, topografische afbeeldingen en plattegronden afkomstig uit de voormalige VOC- kantoren is een ware schat. Goed te volgen is de opkomst van professionele tekenaars, militaire ingenieurs en getrainde scheepsofficieren die systematischer en accurater werkten dan de gemiddelde zeeman of soldaat. Met name twee militairen springen eruit als begaafde tekenaars: Johannes Schumacher en Robert Gordon, die nauwkeurige, ook esthetisch fraaie profielen hebben gemaakt.

In feite reist de beschouwer van dit deel uit de serie de route na die alle VOC-schepen maakten, te beginnen bij de eilanden in de Atlantische Oceaan. Sint Helena en Tristan da Cunha komen aan bod, evenals de oostkust van Afrika, Madagascar en Mauritius. Wat goed is te volgen is de ontwikkeling van Kaapstad. Zes jaar nadat Schmalkalden zijn nietige bivak had opgezet, stichtte Jan van Riebeeck er een permanente vestiging, een verversingspost voor de schepen op hun reis van Nederland naar Batavia en terug. Hier zouden de bemanningsleden eindelijk weer vers water en verse groenten kunnen nuttigen. Hier konden de zieken in een hospitaal worden opgelapt, van hier kon men brieven naar huis schrijven en hier werden schepen gerepareerd. De kolonie ontwikkelde zich dus snel en voortvarend, ten nadele van de oorspronkelijke bewoners. De Nederlanders namen voor hun land- en tuinbouw steeds meer terrein in bezit.

De atlas bevat zeer goed gereproduceerd materiaal dat voorzien is van uitvoerige beschrijvingen. Samen met de inleiding geeft dit deel dan ook een royale inleiding op de ontwikkeling van Kaapstad op commercieel, demografisch, bestuurlijk en stedebouwkundig gebied. Aan bod komen ook de tekeningen die werden vervaardigd tijdens langdurige expedities in het binnenland, waar ergens een koninkrijk vol goudmijnen zou liggen. Hoewel de meeste afgebeelde mensen Europeanen zijn – flanerend, op jacht of op pad met de ossekar – komen ook oorspronkelijke bewoners voor. Het mooiste voorbeeld daarvan is een overzichtskaart van de Kaapkolonie van genoemde Schumacher uit ca. 1780. Daar zien we vier inheemse bevolkingsgroepen, de 'Groote Namaquas', de Hottentotten, de San en de Xhosa. Ze bewerken het land, zijn in de weer met hun vee of dansen.

Van Riebeeck begon met 162 kolonisten, onder wie 15 vrouwen. Met ijzeren logica vormde zich hier een stad: een fort, een rationeel stratenplan, gebouwen voor het openbaar bestuur en sociale instellingen, een kerk, huizen voor de vrijburgers en nog meer forten. Die laatste groep kon het niet opnemen tegen de Britten die hier in 1795 voet aan wal zetten. De Nederlanders moesten Kaapstad overgeven. Het simpele bivak van Schmalkalden was een volwaardige stad geworden. De topografische tekeningen tonen een schoon en geordend Kaapstad vol witgepleisterde huizen, maar verhullen dat zich daar een harde, gemengde, koloniale samenleving bevindt waarvan de helft bestond uit slaven.