Kon je maar altijd Bambi blijven

Als columniste hekelt de Turkse Perihan Magden het leger en het corrupte rechtssysteem. Maar in haar romans, boze sprookjes, heerst de metafoor.

Perihan Magden: Voor wie waren we op de vlucht? Vertaald uit het Turks door Hamide Dogan. Athenaeum, Polak & Van Gennep, 240 blz. € 19,95.

Toen vorig jaar van de Turkse schrijfster Perihan Magden de roman Moord op de boodschappenjongens in vertaling verscheen, was meteen duidelijk dat we van haar geen oriëntaalse referenties hoeven te verwachten, geen sfeer van duizend-en-een-nacht of verhalen over ontrouw en eerwraak. Puur absurdisme leverde ze, een onbenoembare, chaotische roman die zijn lezer alle hoeken van een duister, dreigend universum liet zien. En ook haar tweede roman is zinderend ontregelend en zadelt de lezer uiteindelijk met meer vragen op dan dat hij antwoorden krijgt. Voor wie waren we op de vlucht? luidt de titel en dat blijft, tot het eind toe, gissen.

Het verhaal is ditmaal eenvoudig samen te vatten. Een moeder en haar tienerdochter zijn op de vlucht, ze bivakkeren in hotels, blijven soms kort, soms wat langer, afhankelijk van een crisis of een confrontatie die nooit uitblijft. Ze vormen een ‘maaneenheid’, innig verbonden door hun lievelingsverhaal, Bambi. Moeder heeft, zoveel komen we te weten, een vreemd, gewelddadig verleden, een afschuw voor haar eigen moeder en veel geld. Ze wenst geen enkel contact met anderen en houdt zich obsessief met haar dochter bezig. Dat die dochter langzaam van meisje vrouw wordt kan ze nauwelijks verkroppen.

Dochter heeft maar één missie in het leven: moeder niet mishagen en vermijden dat zij door een ondoordachte vraag in een volgende depressie terechtkomt. In ieder hotel koopt moeder nieuwe gordijnen, lakens, bergen speelgoed. Bij vertrek moet alles worden achtergelaten – ook datgene waaraan dochter zich net had gehecht.

Het verhaal wordt grotendeels verteld door de ogen van de dochter, waardoor de lezer zich aanvankelijk dezelfde vragen stelt als zij. Soms verhuist het perspectief naar een buitenstaander, een medehotelgast, de jongen van het zwembad. Het meisje is in hun ogen onveranderlijk puur en beeldschoon, moeder een heks. Bij Magden is adolescentie de hel. Dat blijkt ook uit een andere, tot nu toe alleen in het Engels en Duits vertaalde roman, Iki Genç kizin Romani, over twee pubermeisjes.

Voor wie waren we op de vlucht? is een fabel, een conte philosophique, die je dus vooral op een tweede niveau moet lezen. Magden is psychologe en behalve romancier in Turkije vooral bekend geworden als columniste. Jarenlang nam ze publieke figuren op de korrel, uit showbizz en politiek, wat haar op een tiental processen kwam te staan. In 2005 koos ze in een column de kant van een dienstweigeraar, een taboe in Turkije. Daarna deden de nationalisten die ook de vermoorde journalist Hrant Dink en collega-schrijfster Elif Shafak aanklaagden, haar een langdurig proces aan.

Het was voor Magden geen reden haar toon te matigen. Ze blijft het leger hekelen, dat volgens haar het obstakel bij uitstek is voor het bereiken van echte democratie in Turkije. Ze attaqueert het volgens haar corrupte rechtssysteem van haar vaderland en is een hartstochtelijk pleitbezorgster van vrouwenemancipatie. Zelfs Nobelprijswinnaar en landgenoot Orhan Pamuk sprong drie jaar geleden voor haar in de bres, karakteriseerde haar als een ‘eigenzinnig en uitgesproken’ schrijfster, een strijdbare, onafhankelijke columniste die, ‘zonder bescherming van een man of een invloedrijke familie’, ‘een hoge prijs betaalt voor het hardop uitspreken van wat ze denkt’ – ‘precies het soort onafhankelijke vrouw dus’, vervolgde Pamuk, ‘die Atatürk voor ogen had toen hij de republiek stichtte’.

Wat Magden in haar columns klip-en- klaar verwoordt, zien we terug in haar metaforisch te lezen romans. Haar woede en verontwaardiging hebben er een literaire vorm gekregen. De chaos uit Moord op de boodschappenjongens en de doolhoven waarin haar personages zich bevinden spiegelen het leven zoals de schrijfster dat ervaart: bedreigend, onvoorspelbaar, gewelddadig. ‘Ik neem snel drie pillen in mijn hand. Ik zal ze doorslikken en in slaap vallen. Ik ben heel bang. Ik ben heel bang en deze angst overweldigt me.’ De moordenaar die steeds weer onverwachts toeslaat en het vluchten van de twee vrouwen uit haar nu vertaalde roman symboliseren haar gevoelens van angst en onrust.

In Magdens romans zijn vaderfiguren afwezig, moeder-dochterrelaties verstikkend, obsessief en ten dode opgeschreven. Niemand krijgt lucht, iedereen vreest voor zijn leven, een hogere kracht zal vroeg of laat genadeloos toeslaan. De stad waarin Magdens personages ronddolen is geen prettig, ordelijk gebouwde woonomgeving, maar een labyrint vol valkuilen, trompe-l’oeils en duistere doodlopende steegjes waarin Magere Hein op je wacht. Veilige havens zijn er niet. Hotels zijn slechts een surrogaat van plekken waar je even de illusie van veiligheid kunt hebben. Iedereen is een Bambi, blijft uiteindelijk alleen over en zal weerstand moeten bieden aan het kwaad.

Magdens taalgebruik, ten slotte, getuigt eveneens van haar rebellie. Ze schrijft veelal korte, staccato zinnen, een spervuur lijkt het, met repeterende klanken en veel herhalingen, alsof zij haar lezer iets wil inpeperen. Haar tekst, die waarschijnlijk in het Turks uitgesprokener is, vraagt erom hardop voorgelezen te worden, snel, ritmisch en op het agressieve af. Een stijl die past bij de personages. Of het nu gaat om een individu of om een land: adolescenten twijfelen, zoeken de confrontatie met het gezag, experimenteren en vechten voor hun onafhankelijkheid. Want de vrijheid moet hoe dan ook bevochten worden. Buren kijken vanaf de zijlijn, met argusogen toe. Wie zijn het, waar komen ze vandaan, wat komen ze hier doen? Bij Magden verschijnt, om de hoek, als niemand het meer verwacht, toch de man met het geweer.