Ik ben als dissident geboren

De Chinese kunstenaar Ai Weiwei heeft nu een geruchtmakende expositie in München. Hij weet zeker dat kunst de wereld kan veranderen. „In China is iets wat niet geopenbaard is, nooit gebeurd. Daarom maak ik alles wat ik meemaak publiek.”

Op 12 augustus van dit jaar maakt de Chinese kunstenaar Ai Weiwei een foto van zichzelf met zijn mobiele telefoon. Hij staat in de lift van een hotel in de Chinese stad Chengdu en wordt omringd door politieagenten die hem zojuist in het holst van de nacht van zijn bed hebben gelicht. Ai draagt een verwassen rood T-shirt met een gat in de kraag. Hij heeft wallen onder zijn ogen. De flits van het mobieltje reflecteert in de spiegel van de lift en prijkt als een aureool boven zijn bebaarde gezicht. De kunstenaar lijkt daardoor net een heilige, een martelaar.

Op zijn tentoonstelling in het Haus der Kunst in München heeft Ai Weiwei de foto nu pontificaal in de entreehal opgehangen. Het kiekje is uitvergroot tot een poster van enkele meters hoog. De gezichten van de Chinese agenten prijken meer dan levensgroot en herkenbaar op de museumwanden, het flitsaureool schijnt als een reusachtige zon op de bezoekers neer. Kijk eens wat mij is aangedaan, wil Ai Weiwei maar zeggen. En om alles nog eens te verduidelijken, heeft hij de foto omlijst met berichten uit diverse internationale kranten. De koppen vertellen het verhaal in grote lijnen. Chinese kunstenaar gearresteerd en in elkaar geslagen. Kunstenaar opgenomen in Duits ziekenhuis na politiegeweld. Kunstenaar twittert over zijn hersenbloeding.

Ai Weiwei (Peking, 1957) is China’s bekendste kunstenaar van dit moment. The New York Times vergeleek hem al eens met Andy Warhol, maar je zou hem net zo goed de Chinese Damien Hirst kunnen noemen. Ai runt een atelier in de buitenwijken van Peking waar zo’n veertig medewerkers zijn sculpturen uitvoeren. Hij heeft een uitgeverij voor kunstboeken en een expositieruimte die een podium biedt aan hedendaagse kunstenaars. Hij is, net als Hirst ooit was, eigenaar van een restaurant. Hij treedt soms op als tentoonstellingsmaker, zoals nu van The State of Things in het Brusselse Paleis van Schone Kunsten. En hij profileert zich ook als architect. Zo was hij een van de ontwerpers van het oogstrelende Olympisch Stadion in Peking, beter bekend als het vogelnest.

Maar bovenal is Ai Weiwei activist. Op zijn immens populaire blog – gemiddeld tienduizend bezoekers per dag – publiceert hij met grote regelmaat stukken die felle kritiek leveren op de Chinese overheid. Herhaaldelijk heeft hij gepleit voor meer persvrijheid en betere mensenrechten. En iedere keer als de Chinese autoriteiten zijn blog platleggen, opent hij weer een nieuwe bij een andere provider.

Deze week maakt de kunstenaar zich bijvoorbeeld druk over het bezoek van Barack Obama aan China. „We hebben de indruk dat Obama tijdens zijn bezoek niet over mensenrechten wil praten”, blogt Ai. „En dat terwijl wegens zijn bezoek juist talloze mensen zijn opgepakt en vastgehouden. We vragen hem niet om ons mensenrechten te geven, maar als hij niet wil praten over de ware omstandigheden in China, dan had hij niet hoeven komen.”

Ai’s arrestatie op 12 augustus had te maken met de actie die hij voert voor de slachtoffers van de aardbeving in Sichuan, op 12 mei 2008. Daarbij vielen ruim 80.000 doden, onder wie opvallend veel schoolkinderen – volgens Ai doordat corrupte overheidsfunctionarissen ondeugdelijke schoolgebouwen hadden laten bouwen. Omdat de regering weigerde de identiteit van de overleden kinderen vrij te geven, ging Ai zelf op zoek naar hun namen. Samen met tientallen vrijwilligers die zich via Ai’s blog hadden aangemeld, wist de kunstenaar in de afgelopen anderhalf jaar meer dan 5.000 namen boven water te krijgen.

Op 12 augustus was Ai Weiwei in Chengdu, de hoofdstad van de provincie Sichuan, om te getuigen in een rechtszaak tegen een andere activist, Tan Zuoren. „Tan deed ook onderzoek naar de oorzaken van de ingestorte schoolgebouwen”, vertelt Ai per telefoon vanuit zijn atelier in Peking. „Ik kende hem niet, we werkten niet samen, maar zijn advocaat had me gevraagd hem te steunen. Hij was aangeklaagd op verdenking van het ondermijnen van de Chinese regering. Ik wilde hem graag helpen.”

Met zachte stem en afgemeten woorden vertelt Ai wat er die nacht precies gebeurde. „Het was de nacht voor de rechtszaak, drie uur in de ochtend. Ik werd wakker van luid gebons op de deur van mijn hotelkamer. Zo’n dertig agenten stormden binnen. Toen ik hun vroeg zich te legitimeren, werd ik op mijn hoofd geslagen. Ze gaven geen uitleg waarom ze zo bruut waren. Ik ben tot het eind van de middag in mijn hotelkamer gevangen gehouden en toen op een vliegtuig terug naar Peking gezet. Daardoor kon ik de rechtszaak niet bijwonen.”

Een maand later, toen Ai zijn tentoonstelling in München aan het inrichten was, kreeg hij last van hevige hoofdpijnen. In het ziekenhuis bleek dat er een bloedprop zat tussen zijn schedel en zijn hersenvlies. Ai was in levensgevaar en moest een spoedoperatie ondergaan. Hij voelt zich inmiddels weer prima, verzekert de kunstenaar. „De hoofdpijn is weg. Maar ik heb nog wel moeite om me te concentreren. En mijn geheugen is nog niet volledig hersteld. Dat kan volgens de dokter nog wel een maand of drie duren.”

Al op de dag na de operatie bracht Ai foto’s van zichzelf in zijn ziekenhuisbed naar buiten via Twitter. „In China heeft iets wat niet geopenbaard is, nooit plaatsgevonden”, zegt hij daarover. „We hebben een lange geschiedenis van overheden die informatie achterhouden. En er is geen onafhankelijke pers die vragen stelt. Daarom maak ik alles wat ik doe en meemaak publiek. Ze zijn heel stom geweest door mij te arresteren, want nu weet iedereen het. De zaak heeft internationaal veel aandacht gekregen.”

Ook van de aardbeving in Sichuan deed de kunstenaar in 2008 direct via Twitter verslag. Hij sprak er met nabestaanden, maakte filmopnames die hij in een documentaire wil gaan verwerken. Ai: „Waar het mij om gaat in het Sichuan-project is sociale rechtvaardigheid. De regering had het steeds maar over aantallen slachtoffers. Maar het gaat hier wel om mensenlevens. Ik wilde weten wat hun namen waren. Hoe oud waren ze, in welke klas zaten ze, wie zijn hun ouders? Honderden telefoontjes hebben we gepleegd naar de lokale overheden van Sichuan. Maar steeds vertelden de autoriteiten ons dat deze informatie een nationaal geheim was. De geheime politie heeft de ouders van de gestorven kinderen geweldig onder druk gezet in de hoop dat zij geen informatie zouden loslaten. Ze zijn geïntimideerd, hun telefoons zijn afgetapt. De vrijwilligers zijn meermalen gearresteerd. Desondanks hebben we 95 procent van de namen kunnen achterhalen. Die bedekken nu een muur van mijn atelier.”

In München hangen enkele van de foto’s die Ai van het rampgebied in Sichuan maakte. Tussen de bergen puin liggen talloze schoolschriftjes, pennen en studieboeken die niemand blijkbaar de moeite van het oppikken waard vond. Rode rugzakjes vormen de enige kleuraccenten in de trieste grijze vlakte. Bij iedere rugzak hoorde een kind, zo besef je maar al te goed.

Buiten, aan de honderd meter lange façade van het Haus der Kunst, heeft Ai 9.000 van diezelfde rugzakjes opgehangen, in de vrolijke kleuren rood-groen-geel-blauw die de kunstenaar ontleende aan het logo van speelgoedketen Toys ‘R’ Us. Samen vormen ze, in Chinese karakters, de zin ‘Ze heeft zeven jaren gelukkig geleefd in deze wereld’. Ai: „Dat schreef de moeder van een van de slachtoffers in een brief aan mij. Ze vertelde dat de overheid tegenwoordig 5 yuan inhield van haar salaris. Dat was de bonus die ze altijd kreeg omdat ze zich braaf aan de eenkindsregel had gehouden. Omdat ze nu geen kind meer had, had ze er geen recht meer op. Maar het ging haar niet om dat geld. Ze wilde alleen dat haar dochter herinnerd zou worden.” Ai noemde het reusachtige kunstwerk daarom Remembering.

Vaak worden Ai Weiwei’s anti-autoritaire houding en zijn grote rechtvaardigheidsgevoel in verband gebracht met zijn vader, de bekende dichter Ai Qing, die tijdens de Culturele Revolutie jarenlang zijn vak niet mocht uitoefenen. Een groot deel van zijn jeugd bracht Ai Weiwei door in de barre Gobi woestijn, waarnaar zijn familie in 1967 verbannen was. „Mijn vader werd naar een strafkamp gestuurd toen ik tien was”, vertelt hij. „Vijf jaar lang moest hij dag in dag uit toiletten reinigen. Ik denk dat ik als dissident geboren ben. Alles wat ik doe is politiek. Maar ik heb nooit de juiste gereedschappen gevonden om mijn ideeën uit te dragen. Tot ik kunstenaar werd.”

In New York, de stad waarnaar Ai in 1981 vertrok met slechts 30 dollar op zak, viel alles op zijn plek. Hij leerde er het werk kennen van kunstenaars als Jasper Johns en Andy Warhol. Hij leidde er het leven van een bohémien, zo wordt mooi duidelijk op een serie zwart-witfoto’s uit die periode. We zien Ai drinken met Allen Ginsberg en gokken in Atlantic City. „In New York was het alsof er geen zwaartekracht was”, zou hij daarover later zeggen. „Alsof ik voortdurend zweefde.”

Geweldig is de foto van een kleerhanger die gebogen is in de vorm van het hoofd van kunstenaar Marcel Duchamp en gevuld is met zonnebloempitten. Gemaakt in 1983 is dit misschien wel Ai’s eerste readymade. „Duchamp is mijn grote held”, zegt Ai stellig. „Een spiritueel voorbeeld. Door hem begreep ik dat kunst ook een idee kon zijn.”

Als zijn vader in 1993 ernstig ziek blijkt, keert Ai terug naar China. Daar past hij zijn pas verworven westerse ideeën toe op duizenden jaren oude oosterse kunst. In 1994 schildert hij, in de geest van Warhol, het Coca-Cola-logo op een vaas uit de Han-dynastie (206 v. Chr.-26 n. Chr.). Een jaar later maakt hij een fotoserie waarin hij zo’n zelfde urn in stukken gooit. Een barbaarse actie, die je zou kunnen opvatten als een radicale breuk met het verleden. „Toen we opgroeiden zei Mao altijd dat je alleen een nieuwe wereld kunt bouwen door de oude te vernietigen”, schrijft Ai daarover in de catalogus. „Daar zijn we dus goed in getraind.”

Sinds die tijd zijn Ai’s kunstuitingen steeds meer in het teken komen te staan van zijn politieke idealen. Hij is ervan overtuigd, zegt hij met die fluwelen, gedecideerde stem, dat kunst de wereld kan veranderen. „Kunst kan echt een verschil maken, daar moeten we wel in geloven. Anders heeft het geen zin om kunstenaar te zijn. Deze totalitaire maatschappij negeert ons als individuen. Daar moeten we iets tegenover stellen.”

Woest kan hij daarom worden van al die gelikte, verkoopbare kunstwerken die zijn Chinese collega’s voor veel dollars aan westerse verzamelaars slijten. „Dat heeft met kunst niets te maken en is alleen maar op de markt toegesneden. Het lijkt wel of iedereen alleen nog maar over de markt kan praten. Dat stoort me. In China mag dan meer geld verdiend worden dan ooit, wat mensenrechten betreft is er niets veranderd.”

Om diezelfde reden heeft hij altijd geweigerd zijn ‘eigen’ vogelneststadion te betreden.

„De Olympische Spelen hebben voor de burgers van China niets veranderd. Ze gaven de autoriteiten vooral een excuus om een politiestaat te zijn en strenge veiligheidsmaatregelen in te voeren. Er zijn migranten het land uit gezet en er werd een avondklok ingesteld. Nee, de mensenrechtensituatie is door die Spelen alleen maar erger geworden.”

Hij geeft toe dat hij wel eens bang is. Al tijden moet Ai lijdzaam toezien hoe zijn atelier dagelijks in de gaten wordt gehouden door agenten in burger. Laatst heeft de politie een inval in het huis van zijn moeder gedaan. „Maar het gevaar wordt alleen maar groter als je je eigen positie niet duidelijk maakt, als je je niet uitspreekt. De overheid is bang voor openheid. Mijn strategie is daarom om zoveel mogelijk informatie naar buiten te brengen, om de autoriteiten te blijven bestoken met vragen. Het internet is wat dat betreft een grote zegen.”

Heeft hij er nooit over gedacht om journalist te worden, of politicus? „Een kunstenaar kan beide zijn”, antwoordt Ai. „Ik heb journalisten gesproken die zeiden dat zij nooit voor elkaar hadden gekregen wat wij in Sichuan hebben gedaan. Doordat ik een bekende kunstenaar ben, heb ik vrijheden die anderen niet hebben. Tegen mij is geen rechtszaak aangespannen, zoals tegen Tan Zuoren. Ik ben een publieke figuur, en dus durft de Staat mij niet zo hard aan te pakken.”

Aan de andere kant van de telefoonlijn hoor ik hem zachtjes grinniken. Ik stel me voor hoe hij met zijn hand over zijn kaalgeschoren rechterslaap wrijft. Hoe zijn vingertoppen zijn litteken beroeren. En hij zich weer even realiseert dat hij wel dood had kunnen zijn.

Ai Weiwei: ‘So Sorry’. T/m 17 jan in Haus der Kunst, Prinzregentenstrasse 1, München. Inl: www.hausderkunst.de.Samen met Luc Tuymans stelde Ai Weiwei de tentoonstelling ‘The State of Things’ samen, met werk van Belgische en Chinese kunstenaars. T/m 10 jan in BOZAR, Ravensteinstraat 23, Brussel. Inl: www.bozar.be.Blogs van Ai Weiwei zijn te vinden op www.aiweiwei.com, www.bulloger.com/blog/aiww/ of twitter.com/aiww