HOEDJESDAG

‘Wat een raar gefluit,” zegt Rintje. „Wat is dat?”

„Het is de wind die om het huis giert!” zegt oma.

Rintje duwt zijn snuit tegen het raam en voelt aan het glas hoe koud het buiten is.

In de lucht ziet hij de wolken voorbij trekken. En overal vliegen bladeren die van de bomen afgewaaid zijn.

„We gaan zo boodschappen doen,” zegt oma. „We moeten ons dik inpakken, anders worden we verkouden!”

„Ik heb het helemaal niet koud hoor!” zegt Rintje.

Als oma haar jas heeft aangetrokken en haar hoedje opgezet, knoopt ze toch een sjaal om Rintjes nek. Rintje schudt een paar keer met zijn hoofd totdat de sjaal losgaat en op de grond valt.

„Ik wil geen kriebelsjaal om,” zegt hij. „Ik heb het echt niet koud!”

„Dan moet je het zelf maar weten,” zegt oma. „Ik ben al oud en heb het veel sneller koud.”

„Ik waai bijna weg!” gilt oma als ze buiten zijn. Maar Rintje verstaat haar niet, de woorden van oma vliegen weg in de wind. „Kom, we lopen naar de tramhalte!” gilt oma nu zo hard ze kan.

Even later stappen ze in de tram en oma gaat snel zitten. „De wind neemt gewoon mijn adem weg,” zegt ze hijgend. „Ik ben blij dat we een paar haltes met de tram moeten!”

Samen met oma gaat Rintje vaak naar het grote warenhuis. Soms gaan ze daar zomaar naartoe. Dan gaan ze met de roltrap naar de bovenste verdieping om wat lekkers te eten en drinken in het restaurant. Samen kijken ze dan uit over de stad. Het is een van de lievelingsuitjes van Rintje.

Vandaag heeft oma een boodschap te doen. Ze maakt bijna al haar kleren zelf, en ze heeft spelden en garen nodig voor in de naaidoos. Ze vindt al snel wat ze nodig heeft en dan kunnen ze eindelijk naar het restaurant. Ze vinden een tafeltje bij het raam en kijken naar buiten. Wolken jagen door de lucht.

Helemaal beneden zien ze veel honden bij de tramhalte staan. Opeens is er een harde windvlaag die alle hoedjes en mutsen grijpt van de honden die staan te wachten. Oma en Rintje zien de hoeden door de lucht vliegen.

„Vandaag is het hoedjesdag!” lacht oma. „Niet de bladeren vliegen door de lucht, maar de hoeden!”

„Waar zouden ze naartoe vliegen?” vraagt Rintje.

„Naar de wolken,” zegt oma. „Kijk maar eens goed, iedere wolk heeft een soort hoedje op!”

En inderdaad, als Rintje goed kijkt lijkt het of iedere wolk een ander hoedje draagt.