Hoe liepen toen die lavastromen?

Eindelijk een boek dat alles bevat wat we van een vulkaanbiografie verwachten. ‘Je wou dat je bij zo’n eruptie was geweest.’

Alwyn Scarth: Vesuvius. A Biography. University Presses of California, Columbia and Princeton, 352 blz. € 27,-

In het jaar 1902 reisde Sigmund Freud naar Napels en omgeving. Als liefhebber van oudheden wilde hij Pompeï en Herculaneum bezoeken, de plaatsen die in het jaar 79 door de uitbarstende Vesuvius van de kaart waren geveegd. En hij wilde de boosdoener zien. Freud arriveert in Napels. Het eerste wat hij doet is naar de vulkaan kijken: ‘Erste Enttäuschung. Vesuv raucht nicht.’ Hoe kon dat nou? Goethe had geschreven dat de Vesuvius ‘gewaltig’ rookte, nog in 1872 was er een grote uitbarsting geweest.

We slaan er het splinternieuwe standaardwerk over Europa’s gewelddadigste vulkaan op na: Vesuvius. A Biography door Alwyn Scarth. Dit boek bevat alles wat we van een vulkaanbiograaf verwachten. Een uiteenzetting van wat de Vesuvius te bieden heeft. Breed spectrum. Lava-overloop, puimsteenbraken, gifgasuitstoot, pyroclastische wolken, asbuien met aanvullende modderlawines. Scarth geeft natuurlijk ook een eruptielijst – jaartallen, schadegevallen. Het begint al vroeg: 23.000 voor onze jaartelling. De vulkaan heet aanvankelijk Somma. In haar krater zal de Vesuvius later als hoofdspuwer oprijzen. Mooi is wat Scarth vertelt over een vroege eruptie. Men vond nabij het huidige Nola de overblijfselen van een hut uit de Bronstijd en onder een meter vulkanisch puimsteen het skelet van een vrouw. Verderop voetstappen van vluchters die het waarschijnlijk ook niet hebben gered.

Wonderlijk. Na gruwelijke uitbarstingen als die van 79, 1631, 1779, 1872 en 1944 zou de mens eigenlijk het instinct hebben moeten ontwikkelen om bij het opslaan van zijn tenten verre van de Vesuvius te blijven. Maar als je op kaart of Google Earth kijkt zie je dat de huizen zo ongeveer van alle kanten de vulkaanhelling opkruipen. Na een tijdje wordt de asbodem namelijk zeer vruchtbaar, daarbij zijn er vele eeuwen verstreken waarin nauwelijks iets gebeurde. De Vesuviusboer had grote kans dat het zijn tijd wel zou duren. De kans dat hij het er bij een uitbarsting levend af zou brengen leek groot genoeg. Scarth rekent voor dat tussen de grote 1631-eruptie en die van 1944 minder dan 300 slachtoffers waren te betreuren. Wie zulke cijfers van te voren zou zien plant er geen Lacrimae Christi-wijnstok minder om.

Ik ontleen deze cijfers aan Scarth. Voor wie nu de indruk zou krijgen dat we in deze Vesuvius-biograaf met een getallenman te maken hebben: dat klopt. Een feitenkenner is hij ook en liefhebber van kaartjes. Heerlijk. Hoe de lavastromen liepen in 1944, waar het as en puimsteen regende, in welke richting zich in 1780 voor Christus de pyroclastische wolk ontrolde, de voortjagende vuurstorm met soms sintels van een kubieke meter per stuk.

Een droog verhaal wordt deze Vesuvius-biografie nergens. Scarth heeft oog voor details en schrijven kan hij ook. Als hij de uitwerkingen van de vulkaan op het menselijke gedrag beschrijft vind ik hem op zijn best. De beroemdste Vesuvius-uitbarsting was uiteraard die van 79. De oude Plinius liet er het leven bij, zijn jongere neef beschreef het in twee uitgebreide brieven – Scarth nam ze als bijlage op. Prachtig materiaal.

Prelaten

Scarth zelf komt echt los als het om de 1631-uitbarsting gaat. In dat jaar heeft de Vesuvius zich al meer dan duizend jaar opmerkelijk kalm gehouden, maar als de gebruikelijke voortekenen van een vulkaaneruptie zich voordoen – aardbevingen, opdrogen van bronnen, bodemstijging, kraterherrie – wrijft een aantal prelaten zich in de handen. Het was de tijd van de Contrareformatie, de beweging waarmee de Moederkerk de begrijpelijkheid en het logische verstand van de Reformatie wilde doen vergeten. Op 16 december was het zover. Asregen, pyroclastische vloeden, modderstromen, alles begeleid met furieuze knalkanonnades – volgens Scarth vloeide er geen lava. De kardinaal-aartsbisschop in Napels acht de tijd voor boetedoening gekomen. De eerste processie met het reliek van de stedelijk beschermheilige (het hoofd van de Heilige Januarius) wordt rondgesjouwd. Zwaveldampen, de geur van teer in de lucht. Een menigte in paniek. Op straathoeken en pleinen breken beurzensnijders, kinderverkrachters en bankeigenaren spontaan uit in openbare biecht. De onderkoning van Napels gooit nog eens wat olie op het vuur door tot nader order alle geslachtelijke omgang met hoeren te verbieden. Scarth hierover, fijntjes: ‘Het is niet onmogelijk dat de onderkoning de vleselijke lusten van zelfs de Napolitanen tijdens zo’n angstaanjagende crisis overschatte.’ Sommige aardschokken houden wel vijf minuten aan, schijnbaar een eeuwigheid. De kratertop valt in de vulkaan, die onmiddellijk overstroomt. Het zeeniveau zakt hier en daar zes meter, driemaal, even zovele tsunami’s volgen. Meer processies. De Vesuvius moet het Heilige Januarius-hoofd zien! De kardinaal-aartsbisschop toont het. Meteen breekt de zon door, de rookpluim uit de krater verdwijnt, de Vesuvius blijkt plotseling veel lager te zijn geworden. Een wonder. De H. Januarius heeft Napels gered! Volgt weer een van die mooie zinnen van Alwyn Scarth: ‘De behoefte aan boetedoening bleef manifest, maar er kwam een competitief element bij, en de Napolitaanse neiging zich te verliezen in theatraal vertoon sloop in de crisis.’

Over de rijkdom van het H. Roomse geloof gesproken: de Franciscanen hingen stroppen om hun hals en brachten de relieken van de H. Antonius van Padua in het geweer, Jezuïeten paradeerden rond met H. Ignatius-relieken. Er waren geselbroeders in jutezakken, die hun borst met scherpe stenen bekrasten en hun schouders geselden tot het bloed in het rond spoot. De katholieke priestercongregatie der Theatijnen en ordeleden der Celestijnen hielden optochten. Drieduizend penitenten schuifelend in beweging, hun vlees tuchtigend, de rozenkrans prevelend, crucifixen en flambouwen in de hand, alsmede beenderen van heilige lijken. De vaderen van San Francesco di Paolo droegen melk rond van Maria Moeder Gods, de Dominicanen zetten het hoofd van Thomas van Aquino naast dat van de H. Januarius. Alle beetjes helpen. En dan heb ik de dertig gevallen vrouwen niet genoemd, die zichzelf nog eens barrevoets en met doornenkronen op het hoofd in het pas doorbroken zonnetje zetten. De menigte barstte er in snikken bij uit. Aangrijpend, verrukkelijk, je wou dat je er bij was geweest.

Bij Scarths beschrijving van de Contrareformatorische Vesuvius-uitbarsting begint de rijkdom van zijn boek zich te openbaren. Niet alleen de Vesuvius, ook de vesuvianen komen genuanceerd en met liefde geschilderd in beeld. Waar men in eerste instantie geen flauw idee heeft hoe zo’n dodelijke vulkaan werkt, zie je langzaamaan het wetenschappelijke vesuvianisme en daarmee de vulkanologie ontstaan.

Dio mio

Pionier was de Britse diplomaat William Hamilton (1730–1803). Aan deze Vesuvius-watcher wijdt Scarth een fraai hoofdstuk. Ook besteedt hij aandacht aan het Vesuvius-toerisme, dat in Hamiltons tijd opkomt. Dat had Scarth best uitgebreider mogen doen. Dat hij de Nederlandse actrice/auteur Mina Kruseman (1839-1922) niet noemt (‘Dio mio, wat een geklauter voor een beetje damp en rook!’) is vergeeflijk. Aan Goethe besteedt hij wél veel aandacht, maar waarom het Vesuvius-bezoek van Markies de Sade niet genoemd? Het leidde tot onvergetelijke regels in diens Juliette (1797-1801). Hoofdpersoon en vriendin smijten een derde dame in de kratermond en wachten op reactie: ‘Als het waar is dat deze daad de natuur beledigt, laat ze zich dan wreken, zij kan dat, laat de vulkaan onmiddellijk tot uitbarsting komen.’ De vulkaan blijft in ruste, ergo: het kwaad maakt deel uit van de natuur. En beide op de kraterrand gelegen dames breken uit in vreugdemasturbatie.

Aan de gedenkwaardige 1902-beklimming door Sigmund Freud wordt in Vesuvius tittel noch jota gewijd. Jammer. Na enige tijd keek deze nog eens naar de Vesuvius: ‘Er raucht tüchtig und hat Feuerschein!’ Hij wilde meteen omhoog, maar hoeveel geklauter stond hem te wachten? Dat viel mee. Op foto’s van de eminente fotograaf Giorgio Sommer (1834-1914), de man die de 1872-uitbarsting al schitterend vastlegde, is het spoorbaantje te zien dat Thomas Cook in 1880 had laten aanleggen. Freud hoefde maar in te stappen. Het spoor zou sneuvelen bij de uitbarsting van 1906.

Dat was allemaal vroeger. Nu wonen er meer dan een half miljoen mensen in de gevarenzone. Vulkanologie is met reuzenschreden gevorderd, maar zal het genoeg zijn? Het potentiële rampgebied staat vol sensoren, elke trilling wordt gemeten, maar wanneer ga je over tot evacuatie? De Vesuvius slaapt sinds 1944. Hoe langer het duurt voor hij wakker wordt, hoe gewelddadiger de uitbarsting. Het verdient voor streekgenoten aanbeveling het hoofd van de H. Januarius altijd gereed te houden.