Hoe een land excuses aanbiedt voor zijn wandaden

Indrukwekkend was het – ook voor wie níét als kind bij zijn ouders is weggehaald, op de boot is gezet naar Australië en daar op een wrede kostschool is opgegroeid, uitgebuit en seksueel misbruikt. De Australische premier Kevin Rudd bood maandag plechtig zijn excuses aan, namens de staat, aan de vele tienduizenden Britse kinderen die dat is overkomen. En ook aan alle zogenoemde ‘Forgotten Australians’, de half miljoen kinderen die Australië de afgelopen eeuw in eigen land uit arme gezinnen en bij alleenstaande moeders heeft weggehaald, om ze eveneens in mensonterende kindertehuizen aan hun lot over te laten.

Een zaal vol kinderen die dat is aangedaan, nu mannen en vrouwen van middelbare leeftijd of ouder, hoorde het met gespannen en betraande gezichten aan. „We kijken terug in schaamte” en „het spijt ons”, zei Rudd meer dan eens in zijn rede in de Great Hall van Parliament House in Canberra. „Het spijt ons diep. Er is groot kwaad gedaan.”

Het is niet makkelijk voor landen om sorry te zeggen voor historisch onrecht dat ze op hun geweten hebben. En áls het gebeurt, dan kiezen politici vaak voor juridisch dichtgetimmerde formuleringen. Ze betuigen wel spijt, maar tegelijk ook weer niet zó veel en zó direct dat er financiële of politieke aanspraken op gebaseerd kunnen worden. Of ze benadrukken tegelijk dat het allemaal wel in een hele andere tijd is gebeurd, zodat ze er zelf eigenlijk niets mee te maken hebben.

Zo bood Tony Blair als premier in 1997 zijn excuses aan voor de Britse verantwoordelijkheid voor de Grote Hongersnood in Ierland, die daar 150 jaar eerder een miljoen mensen het leven had gekost. Maar terwijl hij dit gebaar maakte, een historisch belangrijk moment in de Anglo-Ierse betrekkingen, wurmde hij zichzelf er meteen weer onderuit door te benadrukken dat de verantwoordelijkheid lag bij „degenen die toen regeerden in Londen”. Met een halfhartig sorry klaar je de lucht nooit helemaal.

Rudd liet maandag zien hoe het wél moet. Natuurlijk was niet hij persoonlijk verantwoordelijk voor de schandelijke praktijken. Natuurlijk hadden zijn verre voorgangers dat op hun geweten. Maar daaraan maakte hij geen woorden vuil.

Zijn voorgangers belichaamden toen de staat en hij doet dat nu. En dus zei Rudd eenvoudig: „Het land heeft jullie in de steek gelaten.” Op een vergelijkbare manier maakte hij vorig jaar al excuses aan de Aborigines die als kind in blanke gezinnen en weeshuizen waren geplaatst om hun integratie te bevorderen, of die op andere manieren waren mishandeld en gediscrimineerd.

De zin van dit soort nationale mea culpa’s is omstreden. In de jaren negentig werden zoveel excuses voor historisch onrecht geëist en aangeboden (voor de slavernij, voor de kruistochten, voor het kolonialisme) dat honend werd gesproken van de Age of Apology. Door de fixatie op excuses zouden slachtoffers en hun nabestaanden blijven hangen in het verleden, in plaats van te bouwen aan hun toekomst.

Maar vaak is het precies andersom. Juist omdat premier Rudd deze schrijnende episode in de Australische geschiedenis onder ogen ziet en zich ervoor verontschuldigt, geeft hij de slachtoffers de mogelijkheid het trauma te verwerken, zich met de staat te verzoenen en zich weer te richten op hun toekomst. De excuses kunnen zo een keerpunt worden in hun leven.

En ruimhartige verontschuldigingen helpen niet alleen de slachtoffers, maar het hele land. Want een land dat zijn eigen wandaden niet onder ogen wil zien, kan moeilijk in oprechtheid een betere toekomst uitdragen, laat staan nationale trots. Wie zich laat voorstaan op de gloriejaren en de heldendaden uit het verleden, kan de schuld uit datzelfde verleden niet negeren. Al helemaal niet als de slachtoffers nog leven, landgenoten zijn, landgenoten met door de staat beschadigde levens.

Nationale excuses krijgen pas echt betekenis als het niet bij woorden blijft. Ook voor de staat moeten ze een keerpunt markeren. Herhaling van de wandaden moet voorkomen worden, en de gebeurtenissen mogen niet vergeten worden. Daarnaast moet de staat zich inspannen om de slachtoffers alsnog bij te staan, en zo mogelijk te compenseren.

Rudd besloot zijn bijzondere rede met een beeldspraak die in dit geval gewaagd was: een aansporing om nu samen verder te gaan „als gelijke, gewaardeerde en waardevolle leden van die ene grote familie die we Australië noemen”. Omdat hij zo ruimhartig was geweest in zijn excuses, klonk het niet als vals sentiment of goedkope politieke retoriek.

Helemaal omgeslagen worden dit soort zwarte bladzijden uit de geschiedenis nooit. Nog generaties later confronteren ze je met lastige vragen. De transporten van Britse kinderen bijvoorbeeld (waarvoor premier Brown zich begin volgend jaar formeel zal excuseren) hebben geduurd tot in de jaren zestig. Hoe is het mogelijk dat wat nu zo’n evidente bron van schaamte is, nog maar enkele decennia geleden als nationaal beleid werd werd geaccepteerd? En dat roept weer de vraag op: voor welk gedrag van óns zal de volgende generatie zich excuseren?

Toespraak van Rudd en reacties via nrc.nl/eijsvoogel