Het eenzame gemodder van menige moeder

Het moederschap lijkt complex in tijden van vruchtbaarheids-technieken, uitstelmoeders en carrièrevrouwen. Primatologe Braffer Hrdy biedt uitkomst bij hedendaags getob.

Rachel Lehmann-Haupt: Baby op bestelling. Artemis, 320 blz € 20,-

Sarah Blaffer Hrdy: Een kind heeft vele moeders. Hoe de evolutie ons sociaal heeft gemaakt. Nieuw Amsterdam, 448 blz. € 29,95 Vertaling (door Bart Voorzanger) van Mothers and Others, Harvard University Press, € 25,-

Marleen Castelein: De mooiste tijd van je leven. De schaduwzijde van het moederschap. Augustus, 190 blz. € 17,50

Over een paar dagen wordt Rachel Lehmann-Haupt veertig jaar – zonder man, zonder kind, maar met acht rijpe eicellen, ingevroren en opgeslagen in de fertiliteitskliniek van de universiteit van New York. Ze liggen daar sinds begin 2007 te wachten op bevruchting.

Het plan was toen om van de helft embryo’s te laten maken. Daarom had ze bij de Sperm Bank of California zaad gekocht van een blonde student met, zo stond het in zijn profiel, pokertalent en een zwak voor aforismen. Maar acht eicellen, zei de gynaecoloog meteen na de punctie, was te weinig om in twee groepen te splitsen. In de verkoeverkamer bedacht ze dat ze haar ware liefde misschien nog toch zou vinden. En dan maakte ze liever embryo’s met zíjn zaad.

Rachel Lehmann-Haupt is journalist, onder andere voor Vogue en The New York Times. Ze schrijft Amerikaans snel, met humor en zelfspot, helemaal Sex and the City. Het boek dat ze geschreven heeft over haar ervaringen als ‘uitstelmoeder’ – Baby op bestelling – lees je zo uit. Maar vrolijk word je er niet van. Haar verhaal begint op de dag dat haar vriend Alex hun relatie verbreekt en zij bedenkt dat ze haast zal moeten maken om een vervanger te vinden die kinderen met haar wil. Ze is dan eenendertig. Via datingsites leert ze de ene na de andere man kennen, tot ze besluit dat dit haar doodongelukkig maakt. Ze wordt bijna nooit verliefd, op iedere man heeft ze wat aan te merken en wie weet is de volgende leuker. Ze denkt: wat hadden mensen het toch gemakkelijk toen er nog niet zo veel te kiezen viel.

Ondertussen onderzoekt ze alle keuzen die vrouwen nu hebben om moeder te worden en dat brengt haar bij de alleenstaande, 53-jarige Karen Lehman (geen familie) in Dallas, moeder van de tweeling Tammie en Taylor – vijf jaar zijn ze. De kinderen zijn gemaakt uit de eicellen van een aankomende onderwijzeres en het sperma van een blonde muziekleraar van een meter vijfennegentig. Eerder had ze het aanbod van een vriendin om een overgebleven partij eicellen te kopen afgeslagen: ze wilde de donor kennen.

Tammie en Taylor werden geboren in de vijfde maand van de zwangerschap. Toen ze mee naar huis mochten, was de rekening van het ziekenhuis opgelopen tot vijfhonderdduizend dollar. Is Karen Lehman nu gelukkig? ‘Het is afzien’, zegt ze. ‘Achteraf besef ik dat ik het prima zou hebben gehad als ik kinderloos was gebleven.’ Waarom heeft ze het gedaan? ‘Ik was gefrustreerd omdat ik niet kreeg wat ik wilde.’

Misschien flauw om dit voorbeeld te nemen, want Rachel Lehmann-Haupt ziet ook veel vrouwen – oud en minder oud, alleen of samen – die blij zijn met hun kinderen en echt geen spijt hebben, al hadden ze nooit gedacht dat het leven met hen zo zwaar en veeleisend zou zijn. Iedere vrouw, stelt ze na haar ‘zoektocht’ vast, moet carrière kunnen maken, een partner kunnen hebben en moeder kunnen worden op de manier die zij wil, met alle mogelijke technieken.

Op een congres van de American Society of Reproductive Medicine, in 2007, hoort ze een klinisch psycholoog vertellen dat een kind in de toekomst best vijf ouders kan hebben: de spermadonor, de eiceldonor, de draagmoeder en de betalende sociale ouders die het grootbrengen. Artsen, advocaten en psychologen zullen helpen bij de selectie van het beste genetische materiaal.

Is dat erg? Moet het worden tegengehouden? En kan dat?

In Nederland, waar de maatschappelijke discussie over het nut en de wenselijkheid van het invriezen van eicellen deze zomer is begonnen, zijn gynaecologen het er over eens dat de techniek voor jonge en nog kinderloze vrouwen met kanker een uitkomst is. Er zijn gynaecologen – Fulco van der Veen van het AMC in Amsterdam voorop – die opgelucht zijn dat ze vrouwen als Rachel Lehmann- Haupt nu ook iets te bieden hebben. Van bijna de helft van hun patiënten is het enige probleem hun leeftijd.

Met eicelvitrificatie, zoals de techniek heet, zal het gaan zoals het altijd gaat: van het een komt het ander. Dertig jaar geleden waren mensen nog geschokt door de geboorte van Louise Brown, het eerste IVF-kind ter wereld. Nu wordt in Nederland de conceptie van een op de veertig baby’s tot stand gebracht in een petrischaaltje. Het wachten is op een kunstmatige baarmoeder.

Interessant om nu de in april verschenen (en onlangs vertaalde) studie Mothers and Others van de Amerikaanse antropoloog en primatoloog Sarah Blaffer Hrdy te lezen: dat relativeert alle ideeën over hoe moeders zijn, of zouden moeten zijn.

In haar nieuwste boek maakt ze met feiten (zoals: mannen uit jagers-verzamelaarsvolken komen maar vier op de honderd keer van de jacht terug met buit) en vergelijkingen (zoals: anders dan mensenmoeders laten de meeste apenmoeders hun jongen nooit los en kijken ze hen nooit aan) aannemelijk dat mensen mensen werden doordat ze samen de kinderen gingen voeden en verzorgen. Hierdoor leerden ze zich in te leven in anderen, ze ontwikkelden hun neiging tot geven en helpen, ze gingen er op de lange duur door praten en zo groeiden hun hersenen uit tot het enorme brein dat ons nu zo anders maakt dan alle andere dieren op aarde. Sarah Blaffer Hrdy denkt dat zo’n 1,8 miljoen jaar geleden mensachtige moeders merkten hoe handig het was als ze hun kind even aan oma, een tante of zusje konden geven, of aan vader. Ze rekent voor dat kinderen nooit genoeg eten binnen konden krijgen als alleen hun moeder voor hen zorgde. Ze legt uit hoe kinderen – die zich niet meer konden vasthouden aan hun moeders vacht, want die verdween – contact met hun verzorgers afdwongen door geluiden te maken, naar hun gezichten te kijken, hun uitdrukkingen te imiteren.

Te schattig: de foto’s in haar boek van een heel jong chimpanseemeisje dat eerst haar tong uitsteekt, dan haar mond openspert en haar lippen tuit omdat ze dat haar verzorger ziet doen. Chimpansees, concludeert Sarah Blaffer Hrdy, kunnen de eerste weken van hun leven ook gezichten imiteren. Maar ze verleren het, omdat ze het niet nodig hebben.

En dan de beschrijvingen van de baby’s uit Afrikaanse jagers-verzamelaarsvolken die melk mogen drinken bij hun tante en de buurvrouw. Ze worden gestreeld en gekust, op hun genitaliën en op hun mondje – volwassenen duwen met hun tong soms wat voorgekauwd fruit bij ze naar binnen. Voor mensenkinderen is het kennelijk van levensbelang om naast biologische ouders een aantal hulpouders te hebben.

Met dat in gedachten is goed te begrijpen waarom de Nederlandse journalist Marleen Castelein zo boos en ongelukkig is na de geboorte van haar zoontje Jona. Ze voelt zich bedrogen, omdat niemand haar eerlijk heeft verteld hoe gruwelijk het er bij een bevalling aan toe kan gaan (bij haar wordt het een keizersnee), hoe veeleisend een pasgeboren baby is, hoe vanzelfsprekend het wordt gevonden dat de moeder zich opoffert. Logisch, denk je, als je niet met baby’s bent opgegroeid en er niemand in de buurt is om je te helpen.

Het boek dat Marleen Castelein erover schreef heet De mooiste tijd van je leven – ze bedoelt dat cynisch. Waar Rachel Lehmann- Haupt zo naar verlangt, is bij haar zo voor elkaar: ze leert Wouter kennen, die wil graag kinderen, ze hakken meteen de knoop door. Problemen met de vruchtbaarheid zijn er kennelijk niet, anders had ze daar misschien een boek over geschreven.

Ze schrijft zinnen als: ‘Nooit lezen we dat de aanpassing aan het moederschap er een is die eigenlijk te veel gevraagd is.’ En: ‘Zou vanaf heden iemand anders de scepter zwaaien over mijn leven, mijn kostbaarste bezit, namelijk mijn individualiteit?’

Rachel Lehmann-Haupt vindt: vrouwen hebben recht op alles wat hen kan helpen om moeder te worden. Marleen Castelein vindt: ze hebben recht op ieders aandacht als ze eenmaal moeder zijn. Je zou bijna zeggen: samen laten ze zien in wat voor narcistische tijd we leven.

Maar dan gaan we nog even terug naar Sarah Blaffer Hrdy, die in haar boek Mother Nature uit 1999 (vertaald als Moederschap) al afrekende met het idee dat mensenmoeders zich altijd instinctief opofferen voor hun kinderen en dat het ook zo hoort. Een patriarchale mythe, schreef ze.

Misschien zit het zo: vrouwen als Rachel Lehmann-Haupt en Marleen Castelein – goed opgeleid, interessant werk, al wat ouder en gewend aan een spannend leven in de grote stad – weten niet meer dat moeder worden en moeder zijn eigenlijk groepswerk is. Zo jammer, dat eenzame gemodder.

Lees een interview met Sarah Blaffer Hrdy op ww.w.nrcboeken.nl