En God beschikte dat de vrouw thuisbleef

Els Kloek: Vrouw des huizes. Een cultuurgeschiedenis van de Hollandse huisvrouw. Balans, 256 blz. € 19,95

In 1964 liet Philips een enquête houden onder ruim 2.000 Nederlandse huisvrouwen. De gemiddelde Nederlandse mat toen 1.66 meter, woog 66 kilo, besteedde zestig uur per week aan haar huishouden, sliep met krulspelden in en liep met een schort voor. Slechts 1 procent van de vrouwen droeg een lange broek.

Philips wilde aan informatie komen over dagindeling en behoeften van de ‘huismoeder’. Het was de tijd van de loonexplosie. Al waste 37 procent van de bevolking zich bij gebrek aan bad of douche nog in keuken of slaapkamer, de naoorlogse schaarste en karigheid maakten plaats voor een ruimer bestedingspatroon en vaders-kostwinners gunden ‘moeder-de-vrouw’ de luxe van de nieuwe elektrische apparaten. Zo werd, dankzij verjaars- en sinterklaascadeaus, het huisvrouwenbestaan langzaamaan verlicht met ijskast, broodrooster, koffiezetapparaat, centrifuge en, voor de allerfrivoolsten, wellicht een haarföhn.

Dat een huisvrouw dergelijke spullen zelf zou kopen, was ondenkbaar. Weliswaar waren vrouwen in 1956 eindelijk ‘handelingsbekwaam’ geworden, wat bij voorbeeld wil zeggen dat ze zich voortaan zonder toestemming van hun man konden abonneren op een tijdschrift, maar over eigen inkomsten beschikten maar zeer weinigen, laat staan dat zij beslisten over de besteding daarvan. Vrouweninkomens waren bovendien laag en werden zwaar belast onder het ‘weeldetarief’. Dat was een soort boete (waarvan nu nog de aanrechtsubsidie resteert), want een fatsoenlijke gehuwde vrouw werkte niet buitenshuis. Zo had God dat beschikt en Hij was in de uitvoering van die beschikking een stevig handje geholpen door vakbonden en overheid. In Nederland anno 1960 werkte van de gehuwde vrouwen 7 procent, in Frankrijk 33 en in Engeland 30 procent.

In de genuanceerde geschiedenis van de ‘huisvrouw’ die historica Els Kloek onlangs publiceerde, zijn we al op pagina 201 als we bij Philips belanden. De 200 pagina’s daarvoor bieden een boeiende speurtocht naar de lotgevallen van het fenomeen ‘huisvrouw’ vanaf de Middeleeuwen. Verhelderend is Kloeks analyse van de veranderingen door de eeuwen heen van de betekenis van de term ‘huisvrouw’. Oorspronkelijk was ‘huisvrouw’ synoniem voor echtgenote en was een ongetrouwde vrouw dus per definitie geen ‘huisvrouw’. Iemands ‘huisvrouw’ was diens echtgenote, die zijn huishouden bestierde.

Bronnen als zo’n enquête vol cijfers over het dagelijks leven zijn voor die vroegste perioden natuurlijk niet beschikbaar. Kloek heeft dan ook al haar inventiviteit moeten gebruiken om toch materiaal te vergaren. Tot haar aardigste bronnen behoren de reisverslagen van voor en tijdens de Gouden Eeuw, waarin buitenlandse mannen hun verbazing uitdrukten over het fenomeen der Hollandse Huisvrouw. Wat een stevige types troffen ze in die Lage Landen aan: ze waren kloek van gestalte, staken de handen uit de mouwen en roerden hun mondje. Loonarbeid verrichtten ze zelden, handel dreven ze des te meer, zowel grootschalig als met thuis vervaardigde producten. Met het andere geslacht gingen ze vrijmoedig en op voet van gelijkheid om. Hun bewegingsvrijheid leidde niet tot onkuisheid.

Langzaamaan veranderde dat. De Hollandse huisvrouw bleef weliswaar bazig, zuinig en proper en lezen en rekenen kon ze ook nog steeds, maar haar positie buitenshuis als ondernemer raakte ze kwijt. Dat was in hoge mate te wijten aan economische factoren zoals vroege verstedelijking en welvaart, waardoor gezinnen zich eerder dan elders een vrijgestelde huisvrouw konden veroorloven.

In ideologisch opzicht speelde vervolgens de Verlichting een rol die minder bevrijdend was dan wel wordt gedacht. Want al schrapten verlichte denkers de traditioneel-christelijke vrouwenhaat, zij vervingen die niet door individuele seksevrijheid. Zelfs door schrijfsters als Betje Wolff en Aagje Deken werden vrouwen vastgepind op hun vermeend natuurlijke moederschap, dat nu bovendien het heil der natie diende.

De Hollandse huisvrouw werd ‘huismoeder’: bazig zonder over eigen leven de baas te zijn. Omwille van de in Nederland zo hooggewaardeerde huiselijke gezelligheid disciplineerde ze man en kinderen, maar wettelijk was ze met de invoering van de Code Napoleon van begin 19de eeuw tot dik na WO II gelijkgesteld aan een onmondige: gehoorzaamheid verschuldigd aan het Hoofd der Echtvereniging, verplicht zijn woonplaats te kiezen, geen recht op eigen inkomsten, geen voogdij over de kinderen.

In de 19de eeuw, toen E.J. Potgieter zijn allegorie publiceerde over de nietsnut Jan Salie, oftewel onze nationale lamlendigheid, vierde in huizen vol pluche en prullaria de huiselijkheidscultus hoogtij. Die gezelligheidsterreur verspreidde zich over alle sociale lagen. Van een opvallend vrije verschijning in de Gouden Eeuw was de Hollandse huisvrouw verworden tot symbool van gezapigheid. Zelfs Kenau Simonsdochter Hasselaer werd in de 19de eeuw uitgebeeld zonder haar kenmerkende wapenrusting. Gehuwde vrouwen waren nu bijna allemaal vrijgestelden, die alleen bij hoge nood buitenshuis werkten. In 1890 werkte van alle Nederlandse vrouwen slechts 15 procent, tegenover 33 in Frankrijk. (In bedrijven aan huis meewerkende vrouwen worden meestal niet geteld.)

Kloeks originele idee om de vrouw des huizes te onderwerpen aan een historische blik heeft een heerlijk boek opgeleverd: zorgvuldig onderzocht en fraai geïllustreerd. De huisvrouw, door velen tot voor enige decennia als doodnormaal verschijnsel beschouwd, blijkt met een nuchtere blik bezien een bizarre figuur. Slavernij op seksebasis, zou ik zeggen.