De zwarte messias van Suriname

Boekhouder, tapdanser, atleet en auteur Anton de Kom was een Surinaamse communist. Een nieuwe biografie corrigeert dit beeld. ‘Hij was een eenling, een naïeve romanticus.’

Alice Boots en Rob Woortman: Anton de Kom. Contact, 548 blz. € 49,95.

Zelfs het standbeeld van Anton de Kom, onthuld in de Amsterdamse Bijlmer in 2006, leidde tot een rel. De naaktheid van de man deed volgens Surinaamse Nederlanders te veel aan de slavernij denken. De schrijver van de klassieker Wij slaven van Suriname riep al tijdens en ook na zijn leven controverses op. In de jaren dertig maakten de Nederlandse autoriteiten De Kom het leven moeilijk. Hij zou er als ‘communist’ op uit zijn in Suriname een opstand te ontketenen. In de jaren tachtig werd zijn erfgoed geannexeerd door het regime van Desi Bouterse.

Anton de Kom (1898-1945) is vooral bekend om Wij slaven van Suriname. In WO II zat hij in het verzet. Hij overleed in een Duits kamp. De Kom was de eerste die de koloniale geschiedenis van Suriname beschreef vanuit het perspectief van de gekoloniseerde.

Het beeld van De Kom is na zijn dood lange tijd bepaald door de Leidse hoogleraar Rudolf van Lier (een lichtgekleurde Surinamer) die hem in Samenleving in een grensgebied (1949) wegzette als een gefrustreerde Creool. Volgens Van Lier was hij ‘geheel voor de communistische ideeën gewonnen’ en de herinnering aan de slavernij werd voor De Kom ‘deel van een pathetische gegriefdheid en rancune’.

De biografie Anton de Kom van kunsthistorica Alice Boots en neerlandicus Rob Woortman (oud-docent journalistiek) corrigeren dit. Voor de bewering dat De Kom in dienst was bij de Communistische Partij Holland (CPH), hebben ze bijvoorbeeld geen aanwijzingen gevonden. De CPH was weinig meer dan een podium om zijn boodschap over Suriname te brengen.

Het beeld dat in de biografie van De Kom oprijst is dat van een eenling, een wat naïeve romanticus ook. De Kom groeit op in de wijk Frimangron waar nazaten van slaven wonen. Hij spreekt later in Nederland over de ‘bittere armoede’ van zijn familie. Maar dat is overdreven. Zijn vader exploiteert een concessie voor goudwinning, zijn moeder verkoopt taarten.

Na de mulo – het hoogste opleidingsniveau destijds in Suriname – haalt De Kom het boekhouddiploma. Al vroeg toont hij sociale betrokkenheid. Bij de balataonderneming waar hij vanaf 1916 werkt – balata is in die tijd de belangrijkste grondstof voor rubber – leert hij balatableeders lezen en schrijven.

Door zijn donkere huidskleur zijn er in Suriname voor De Kom weinig promotiekansen. In 1920 vertrekt hij naar Nederland en neemt dienst bij het Haagse Regiment Huzaren. Het is de pragmatische keuze van een pacifist: hij komt nergens anders aan de slag. Een jaar later vindt De Kom, ook een verdienstelijke tapdanser en atleet, werk als boekhouder. Eind jaren twintig is hij de best verkopende vertegenwoordiger bij koffie-, thee- en tabakhandel Reuser & Smulders. Hij ontmoet er zijn latere (blanke) echtgenote, met wie hij vier kinderen krijgt. In die tijd bezoekt De Kom de Haagse afdeling van de Liga tegen Imperialisme en Koloniale Overheersing, waarvan hij voorzitter zou worden.

De Kom geeft ook lezingen op scholen over zijn land. Aan het einde vraagt hij altijd de leerlingen naar voren: „Zo, nu mogen jullie allemaal hier langs mij lopen en dan stop je even en voelt aan mijn kroeskop.” De inlichtingendienst houdt hem dan al in de gaten.

Het is waarschijnlijk Tweede Kamerlid David Wijnkoop die De Kom in 1929 vraagt bijdragen te leveren aan De Communistische Gids . In dat jaar houdt hij ook een lezing op het congres van de Communistische Partij Holland (CPH).

Maar Suriname blijft trekken. In 1933 heeft hij genoeg gespaard om met vrouw en kinderen terug te gaan. In de Surinaamse krant De Banier , die de arbeidersbeweging gunstig gezind is, wordt De Kom als ‘de zwarte messias van het Surinaamse proletariaat’ aangekondigd. Maar nergens blijkt dat hij een vastomlijnd plan had. Van zijn voornemen in Suriname lezingen te geven komt niets terecht. Onder druk van de koloniale autoriteiten durft niemand hem een zaal te verhuren.

In Suriname begint hij een ‘adviesbureau’. Binnen de kortste keren komen dagelijks vele mensen langs, vooral Javaanse en Hindoestaanse contractarbeiders. Dat De Kom geld vroeg voor adviezen, weten de biografen te ontzenuwen. Ze beroepen zich op een onverdachte bron: het journaal van de districtscommissaris van Commewijne. Daarin staat ook dat De Kom Javanen vertelde dat ze ‘kalm moeten blijven en geen oproer maken’.

Toch wordt De Kom gearresteerd wegens opruiing. Tot een aanklacht komt het nooit. Bij demonstraties voor zijn vrijlating vallen twee doden door politiekogels. In mei 1933 worden De Kom en zijn gezin op de boot naar Nederland gezet. Allengs raakt hij in de vergetelheid. Een baan vindt hij niet meer.

De biografie brengt ook duidelijkheid in de totstandkoming van Wij slaven van Suriname. Nog in 1964 verkondigde de communistische schrijver Jef Last in dagblad Het Vaderland dat hij eigenlijk de auteur was. Maar Alice Boots en Rob Woortman laten zien dat dit niet het geval is. Uit het familiearchief van De Kom, waarin ook brieven van de uitgever van het boek, Contact, voorkomen, blijkt dat de twintig pagina’s communistische peptalk die Last toevoegde juist met instemming van De Komt uit het manuscript zijn verwijderd. Op verzoek van Contact schrijft De Kom ook een voor- en nawoord en voegt er in zijn enthousiasme nog eens twintig pagina’s tekst aan toe. Zo werd Wij Slaven van Suriname weer het boek van De Kom.

De Kom levert ook bijdragen aan maandblad Links Richten van het gelijknamige communistische schrijverscollectief waartoe Last behoorde. Dit gaat weinig zachtzinnig om met De Koms teksten. Zo plaatst het in 1933 als voorpublicatie van Wij Slaven van Suriname een eerdere versie van het manuscript. Daarin staat dat de beeltenissen van marronhelden Boni, Baron en Joli Coeur ‘meegedragen [zullen] worden in uw stoeten naast die van Lenin op de dag, dat de grote afrekening met het kapitalisme zal plaatsvinden’. Die toevoeging heeft De Kom nooit geschreven, aldus de biografen. Anderzijds hebben de biografen geen spoor gevonden van de censuur die het boek zou hebben getroffen.

Wij slaven van Suriname past in de 20ste- eeuwse Caraïbische geschiedschrijving waarin De Kom, onder meer volgens een recent pleidooi van de Leidse historicus Peter Meel, een prominente plek verdient. Anton de Koms opvattingen liggen in de lijn van de Surinaamse nationalisten die in de jaren vijftig de basis legden voor de latere onafhankelijkheid. De Kom ging alleen een stap verder, door oog te hebben voor andere bevolkingsgroepen dan alleen de creolen. Daarmee was hij zijn tijd ver vooruit.