De Van Marwijk-jaren

Nog nooit beleefde het Nederlands elftal zo’n rustige periode als nu. Het land met zijn reputatie van individualisme en controverse plaatste zich soepeltjes voor de eindronde van het WK. Zelfs de bondscoach is voor niemand omstreden, iets wat je zelden meemaakt.

Bert van Marwijk is redelijk, hij doet niet pretentieus, wekt geen irritatie met zijn uitspraken. Hij valt zijn spelers niet meer af dan nodig is, en op hun beurt lijken de spelers het prima naar hun zin te hebben met hem. De bondscoach stelt nooit iemand op van wie je zegt, hoe komt ie daar nou bij.

Onder zijn voorganger, de aanvankelijk bejubelde Marco van Basten, was dat wel anders. Sinds 1988 miste Nederland slechts één groot toernooi, het WK van 2002 in Japan en Zuid-Korea: een fraai staaltje van degelijkheid. Nu, in de Van Marwijk-jaren, stapelt Oranje daar ook nog een haast onwerkelijke harmonie bovenop. Met de voortkabbelende omgangsvormen lijkt ons nationale team wel een bejaardentehuis. Al doet die vergelijking waarschijnlijk menig bejaardentehuis tekort.

Iedere liefhebber kent de opstelling uit zijn hoofd, zo standvastig is de lijn. Ontbreken drie basisspelers, zoals afgelopen woensdag, dan noemt Van Marwijk de vervangers – en na twintig seconden denk je: zou ik ook doen. Valt het niveau tegen, dan vindt de bondscoach het merkbaar even slecht als jij. „We hebben geen potentieel van een groot voetballand”, relativeerde hij het zwakke spel tegen Paraguay (0-0). „Als goede aanvallers wegvallen, gaat dat ten koste van het scorend vermogen.” Zit wat in.

Van Marwijk bralt niet, hij zoekt geen uitvluchten. Hij klinkt als een supporter – de supporter die het toevallig mag zeggen. Je moet ver teruggaan in de geschiedenis om een bondscoach te vinden die zo dicht bij de gemiddelde fan stond als Bert van Marwijk nu. Sinds Rinus Michels in de jaren tachtig is het zeker niet meer gebeurd. Dat komt door de persoon van de bondscoach, maar ook door de organisatie die in niets lijkt op de rammelbak uit het verleden. Je zou het saai kunnen noemen, dit totale gebrek aan opportunisme en affaires. Toch lijkt iedereen het best te vinden. Het is of de tijdgeest erom vraagt. Vroeger was onze samenleving een toonbeeld van vooruitstrevendheid en zelfvertrouwen. Het gaf de leiders van onze volkssport de mogelijkheid er een potje van te maken. Tegenwoordig gaat het land gebukt onder etnische tegenstellingen, onzekere politici en vervreemding. Instinctief, lijkt het, doet de voetbalelite wat nodig is. Het gewoel in de echte wereld compenseren met de koersvastheid van een rijnaak.

En zo marcheren we tevreden naar Zuid-Afrika. Om in de kwartfinale te verliezen van een land met een groter potentieel. Alles voorspelbaar, wel zo rustig.