De thuiskomst

Er wachtte Jan Peter Balkenende een lastig weerzien met zijn echtgenote, toen zijn chauffeur de dienstauto voor de woning in Capelle aan den IJssel had geparkeerd.

Je kon niet zeggen dat ze hem stralend stond op te wachten, al deed ze haar uiterste best.

Pas toen de auto weer vertrokken was en ze met Jan Peter in de vestibule stond, liet ze zich gaan. „Ik vind het zó rot voor je”, zei ze met een korte snik, terwijl ze hem door zijn haar streek.

Hij week met zijn bovenlichaam iets terug en keek haar effen aan. „Hoezo?”

„Nou, die rotzakken die jou al die tijd hebben laten bungelen en toen voor die Belgische nobody kozen.”

„Waar heb je het over?” zei hij.

Hij probeerde haar zachtjes van zich af te duwen, pakte zijn uitpuilende presidentiële loodgieterstas bij het hengsel en liep naar de woonkamer. Ze dribbelde achter hem aan en zei: „Het is een schande.”

Hij draaide zich om, keek haar strak aan en zei: „Wanneerhoudenjullieernoueensoverop? Ik wás geen kandidaat, ik bén niet gevraagd, ik héb het nooit gewild en ik hóef dus helemaal niet teleurgesteld te zijn, verbitterd, geschokt, of wat dan ook. Ik ben mijn collega’s dankbaar voor deze beslissing, Van Rompuy lijkt me een uitstekende president en ik zal hem door dik en dun steunen. Watetenwevanavond?”

Het duurde even voor de verbijstering haar gezicht tekende. „Ik begrijp het”, zei ze, „maar je hoeft je voor mij niet groot te houden.”

Hij keerde haar zijn rug toe en beende driftig naar het raam, waarachter Capelle aan den IJssel iets minder veelbelovend lag te fonkelen dan Brussel bij nacht.

„Weetjewathet is”, zei hij, „jullie praten elkaar allemaal na. Politiciperspubliek. Ik zeg het nu nog één keer en daarna hou ik er voor eeuwig mee op: ikwasgeenkandidaat. Punt! Basta! Schluss! Finito!”

Ze knikte en liep naar de keuken. „Ik heb nog wat groentesoep van gisteren over, wil je dat?”

Ze luisterde niet naar zijn antwoord en zette een bakje met soep in de magnetron. Ondertussen dacht ze aan al die nachtelijke gesprekken van de laatste maanden.

Hoe ze hier aan de keukentafel hadden gezeten en hij zijn gal gespuwd had. Over die zak van Bos die steeds met de eer ging strijken, over Verhagen met zijn eigenwijze gedram, over de Venlose proleet die hem stond uit te schelden, over die waanwijze kakker van D66, over dat nuffige nest van GroenLinks, over die vergelijkingen met Harry Potter, over de hetze van de pers, ja, over dat hele klotekikkerlandje met z’n ruwheid en onfatsoen waar hij zich steeds meer aan ergerde.

God, wat hád hij er genoeg van gekregen en wat hád hij er graag weggewild. Reizen, regelen, recepties, dát wilde hij, regeren zonder regering, prestige zonder prestatie.

Ze dekte zwijgend de tafel en haalde de soep. De ringtone – de eerste maten van het Wilhelmus - van zijn mobieltje klonk. „Ja, Jack, leg jij het de mensen maar uit”, hoorde ze hem vermoeid zeggen, „ik hou erover op.”

Jack de Vries, wist ze, die gruwelijke gladakker, het leek wel alsof-ie met hém getrouwd was in plaats van met haar. De eeuwige lach van die man! Hij zou nog blijven lachen als hij je met een slagersmes van boven naar beneden opensneed. Den Haag, wat een verschrikkelijk oord.

„De soep is klaar”, zei ze dof.