De naïeve nazi

John Rabe was zowel een overtuigde nazi als een reddende engel. Hij is nu de bekendste Duitser in China.

Tussen foto’s van haar familie, haar oude huis en reizen naar Japan heeft mevrouw Xia Shuqin (89) maar één boek in haar kast staan en dat heeft ze nog nooit gelezen. Ze heeft nooit goed leren lezen en haar ogen werken niet meer. Maar dat is de reden niet.

Het beduimelde exemplaar van Der gute Deutsche von Nanjing koestert zij uitsluitend als een fysieke herinnering aan de auteur van dit dagboek: de Hamburger John Rabe, algemeen directeur van Siemens in de toenmalige Chinese hoofdstad, een overtuigde nazi, haar held, haar redder.

De film John Rabe van Florian Gallenberger, die afgelopen zomer in de Chinese bioscopen heeft gedraaid en nu in Nederland uitkomt, kwam voor haar te laat. „Blind van het vele huilen”, zegt ze in haar vierkamer flat op de veertiende etage in een nieuwbouwwijk van Nanking. Haar oude buurt, niet ver van het John Rabe Huis dat nu een museumpje is over deze ‘Chinese Schindler’, heeft plaatsgemaakt voor kantoren, winkelcentra en hotels.

De Japanse oorlog tegen China die in 1937 begon en de economische ontwikkeling van China sinds 1978 hebben het Nanking van haar jeugd onherkenbaar veranderd. Het enige huis dat nog herinnert aan vooroorlogs Nanking, toen de hoofdstad van de Republiek China, is dit solide ogende asgrijze pand, waar zij bescherming genoot tegen de Japanse infanteristen. Het oude woonhuis van de Hamburger Rabe aan Xiaofenqiao No. 1 is dankzij de voormalige Duitse president Johannes Rau, die hier in 2003 een ruïne aantrof, gerenoveerd.

Bijna 72 jaar geleden werd, kort na de Japanse invasie, in het westen van de stad de zogeheten Veiligheidszone van Nanking ingericht. Het grote vluchtelingenkamp op het terrein van de universiteit en de Siemens fabriek werd bestuurd door een comité van buitenlanders, onder wie Duitse en Britse zakenlieden en Amerikaanse artsen en missionarissen.

Voorzitter van het comité dat de Veiligheidszone bestuurde, werd de Hamburger John Rabe, directeur van Siemens en destijds als stichter van een school en voorzitter van de club van zakenmannen een pillar of society.

In de Veiligheidszone vond een zwaar gewonde mevrouw Xia een veilig heenkomen nadat de soldaten van keizer Hirohito voor haar ogen haar vader vermoordden, en haar zusje en moeder verkrachtten en vermoordden.

„Een grote, vriendelijke buitenlander”, vertelt mevrouw Xia over die ene keer dat zij hem ontmoette in de winter van 1937-‘38. „We konden hem niet verstaan want hij sprak ons dialect niet en ik verstond toen nog geen Mandarijn.” Het voorzitterschap van de Veiligheidszone had Rabe ook te danken aan het feit dat hij de leider van de NSDAP in Nanking was. Iedere dag werd de hakenkruisvlag gehesen en hij droeg armbanden met het nazi-embleem. Dat hij een overtuigde nationaal-socialist en trouwe volger van Adolf Hitler was die met Japan een alliantie had gesloten, wist zij niet. Het interesseert haar nog steeds niet, want hij gebruikte zijn positie om de Chinese vluchtelingen te beschermen tegen de Japanners.

Mevrouw Xia’s herinneringen zijn vervaagd en duidelijk vermengd geraakt met wat zij over Rabe heeft gehoord en gelezen in de Chinese vertaling van The Rape of Nanking van de Chinees-Amerikaanse schrijfster Iris Chang. Daarmee doorbrak zij in 1997 de decennialange stilte rond deze ‘vergeten holocaust’. Changs boek leidde tot de publicatie van Rabes dagboeken en tot een kleine herdenkingsindustrie van films, documentaires en nu dus ook een Duitse film over Rabe.

Het museum in het John Rabe Huis vertelt gedetailleerd het verhaal van zijn verblijf in Nanking en zijn rol in de Veiligheidszone. Hij was een keurige, conservatieve zakenman die diep geschokt was door de Japanse wreedheden tegen mensen met wie hij dertig jaar had samengewerkt.

Hoe en wanneer hij lid was geworden van de NSDAP blijft onduidelijk, en waarom hij Hitler zo bewonderde, blijft eveneens onopgehelderd. Ver verwijderd van Hitler-Duitsland wist hij, zo bleek na de oorlog uit getuigenissen van hemzelf en zijn familieleden, eigenlijk weinig van de ware aard van het nazisme, laat staan van de jodenvervolging.

Zijn rechtstreekse brieven aan ‘Mein Führer’, waarin hij hem vraagt te bemiddelen bij de Japanners om de Chinese burgerbevolking te ontzien, zijn nog altijd van een verbazingwekkende naïviteit. Net als alle andere buitenlanders werd hij in 1938 door de Japanners gedwongen China te verlaten en hij keerde terug naar Berlijn.

Daar zette hij zijn campagne voor de inwoners van Nanking voort met lezingen en het vertonen van gruwelijke amateurfilms over de Massakers von Nanking, tot hij door de Gestapo werd gearresteerd. Mede daardoor volgde relatief snel na de oorlog, in 1946, zijn ‘denazificatie’. Hij stierf in 1950, gebroken en armlastig, aan een hartaanval. Met de nodige overdrijvingen en vrije, filmische interpretaties geeft de film van Gallenberger een redelijk beeld van Rabes rol als voorzitter van de Veiligheidszone. De interpretatie van ‘goede nazi’ sluit naadloos aan bij het boek van Chang en bij de bevindingen van Chinese historici die schatten dat er tijdens de Japanse inval in Nanking driehonderdduizend burgers zijn gedood. Dit getal staat ook prominent boven de ingang van het Herdenkingsmonument, maar is nog steeds onderwerp van controverse.

De geschiedschrijving over de wreedheden wordt nog altijd gehinderd door politiek en propaganda. Documentatie en archieven van Japanse en Chinese Kuomindanglegers gingen verloren. De Amerikaanse oorlogscorrespondenten zagen wel massa’s lijken, afgehakte hoofden en verkrachte vrouwen, maar beschikten niet over de tijd en de mogelijkheden om een nauwkeurig beeld te schetsen.

Japanse propaganda en schoolboeken reduceerden het wekenlange geweld tegen de burgers tot ‘incidenten’. En tot de verschijning van het boek van Iris Chang had ook communistisch China nauwelijks aandacht voor de tragedies in Nanking.

Dat kwam, vertelt historicus en directielid van het museum Zhang Lianong, „doordat onze leider Deng Xiaoping besloot dat de relaties met Japan voor de economische ontwikkeling belangrijker waren dan het leed van de slachtoffers. Het herdenken is pas goed op gang gekomen toen Japan in de jaren tachtig en negentig steeds nadrukkelijker ging ontkennen dat de wreedheden in Nanking hadden plaatsgevonden. De bezoeken van Japanse premiers aan de Yasukuni Tempel, waar geëxecuteerde Japanse oorlogsmisdadigers van de A-klasse worden geëerd, zijn onderdeel van de ontkenning van de Japanse oorlogsmisdaden.”

Chinese veertigers en vijftigers vormen de belangrijkste groep bezoekers van het John Rabe Huis, het grote museum en de monumenten die samen één grote aanklacht tegen het oude Japan vormen. Deze generaties Chinezen hebben op school nooit iets geleerd over ‘Nanking’ en zijn door de vele Chinese publicaties nieuwsgierig geworden. Voor scholieren en studenten zijn uitstapjes naar deze herdenkingsplaatsen verplichte kost.

Hoogbejaarde Japanners, die betrokken waren bij de invasie komen hier jaarlijks hun spijt betuigen en geven ook lezingen op de universiteiten van de miljoenenstad. Vaak doen zij dat samen met mevrouw Xia en het snel slinkende groepje Chinese overlevenden. Mevrouw Xia is op haar beurt ook in Japan haar verhaal gaan vertellen.

Hoewel in het John Rabe Huis en het Herdenkingsmuseum Japans een van de drie voertalen is (naast Mandarijn en Engels) komen er toch weinig Japanse jongeren. Daarom zegt mevrouw Xia: „Ik heb gehoord dat de Duitse film over John Rabe heel goed is. Ik hoop dat hij ook in Japan wordt vertoond.”