'De echte oorlog kent niemand'

Journalist Ethan Brown gebruikt een wrede moord in de gewelddadigste stad van de VS, New Orleans, om het lijden van oorlogsveteranen bloot te leggen. Een gesprek.

Het was zo’n moord waar de schandaalpers overal ter wereld mee uitpakte. Zelfs de rustige Times-Picayune van New Orleans, waar het drama zich najaar 2006 voltrok, koos voor de sensationele invalshoek: ‘Vriend sneed lichaam aan stukken, en kookte het’.

Het kon dus moeilijk anders of de dader, de 28-jarige bohémien Zackery (‘Zack’) Bowen, moest wel een ondier zijn. Bowen biechtte zijn misdaden op in een bizar gedetailleerd briefje, dat werd gevonden nadat hij van een dakterras in het French Quarter was gesprongen.

Schrijver Ethan Brown was destijds toevallig in de stad. Hij wantrouwde de snelheid waarmee Zack Bowen als psychopaat werd afgeserveerd. Brown verhuisde naar New Orleans om zich de zaak eigen te maken. Het eerste half jaar bereikte hij niets, en uitgevers – Brown schreef eerder succesvolle boeken over zware misdaad – wilden niet met hem in zee. „Ze zeiden: ‘Dit schrikt mensen alleen maar af’’’, vertelt hij in een cafeetje op Decatur Street, aan de kalme kant van het French Quarter.

Drie jaar later is er Shake the Devil Off. The True Story of the Murder That Rocked New Orleans. Een reconstructie waarin Brown aannemelijk maakt dat de dader een normale man was. Aardig, aantrekkelijk, een charmante kluns – geen strafblad, nooit betrapt op gewelduitbarstingen. De gekte kreeg pas vat op Zack Bowen nadat hij betrokken raakte in twee onverwerkte trauma’s uit Amerika’s recente geschiedenis: de invasie van Irak in 2003 en de orkaan Katrina van 2005.

Vooral de schets van Zack Bowens neergang als militair na de invasie van Irak is door recensenten geprezen. The New York Times noemde het boek de perfecte follow up van Dexter Filkins’ The Forever War, over het dagelijks leven van de oorlog in Irak. „Waar Filkins ons leerde hoe de oorlog daar is, daar brengt [Ethan] Brown de oorlog naar Amerika.’’

Het heeft even geduurd: Irak werd zes jaar geleden binnengevallen, Afghanistan acht jaar. Het komt mede, zegt Brown, doordat Amerika de solidariteit met zijn soldaten in een formule heeft geperst: zij zijn helden, die in het openbaar voortdurend geëerd dienen te worden. Maar dat is meteen een alibi om geen aandacht meer voor de werkelijkheid van de oorlog op te brengen.

Brown: „Wij steunen onze soldaten – en gaan daarna winkelen. Wij laten de oorlogen aan militairen over die in bepaalde regio’s bij elkaar wonen, vaak in militaire families. De rest van het land is afzijdig.’’

Zack Bowen ging niet als een geboren soldaat in het leger. Hij was een kind van gescheiden ouders aan de westkust, dat er na een mislukte studie maar wat op los leefde. Hij belandde in New Orleans en op een dag was hij, tot zijn eigen schrik, ineens vader. „Hij had een jong gezin en kon geen ziektekostenverzekering voor zijn kinderen betalen. Zijn broer zat in het leger, diens vrouw ook. Zo kwam hij op het idee.’’ En maanden later, voorjaar 2000, stond hij met een machinegeweer op een patrouilletank in Kosovo. Bowen lag goed in de landmacht, een gangmaker. Hij schopte het pijlsnel tot sergeant. „Zijn militaire carrière verliep fantastisch.’’

In 2003 gaat Bowens eenheid voorop in de verovering van Irak. Op de tochten door de woestijn merkt hij dat de bevrijding van het land neerkomt op een strijd tegen militairen die zich verschuilen tussen kamelen. In Bagdad wordt een 10-jarig Iraaks jongetje door landgenoten opgeblazen omdat hij met Bowen vriendschap sloot.

Het is een bestaan zonder logica. Als zijn vrouw zomer 2003 een levensbedreigende ziekte oploopt, mag hij haar twee dagen opzoeken, daarna moet hij terug naar zijn standplaats, de Abu Ghraib-gevangenis. Hij is nodig voor de bevrijding van Irak, zegt zijn commandant, ook al weet de bevolking diverse bevrijders – Bowens collega’s – op te blazen. Brown beschrijft hoe een roekeloos soort onverschilligheid in Bowens eenheid sluipt. Een nummer van de heavy metalband Metallica wordt hun motto: Fuck it all and fucking no regrets.

Intussen verspreidt zich een epidemie: eenderde van alle Irak- en Afghanistan-veteranen lijdt aan het posttraumatisch stress syndroom (PTSS). Ze kunnen zich niet concentreren, slapen slecht, hebben waanbeelden en weten hun agressie niet te beheersen. Maar ook nu de politieke elite dezer dagen praat over de zending van meer manschappen naar Afghanistan krijgt dat aspect van de oorlog amper aandacht.

„De afgelopen maanden waren zeer slecht in Afghanistan. Er vallen recordaantallen doden. Maar in de politiek en de media gaat het nauwelijks over de realiteit van Afghanistan. In dat opzicht is er niets veranderd na het debacle in Irak. Iedereen praat – meer troepen, minder troepen, nieuwe strategie, geen nieuwe strategie, het gaat maar door. Maar de echte oorlog kent bijna niemand.’’

Amerika is een autoritair land. Media behandelen grote gebeurtenissen in de eerste plaats vanuit het perspectief van leidinggevenden. „Dat is mijn grote frustratie over de media hier. Het gaat altijd om de president, de generaals, hun adviseurs. Ik sla dat in mijn werk rigoureus over. Als die jongens terugkomen van de oorlog, heeft niemand belangstelling voor ze. Zeker niet als ze, zoals Zack, de gekte niet meer aankunnen.’’

Slechte grap

Bowen gaat naar zijn standplaats in Duitsland, waar zijn gezin woont. Hij belt zijn moeder en zegt: die hele oorlog is een slechte grap. Bowen heeft alle verschijnselen van PTSS. Maar het is 2004 en in die tijd wordt de ziekte in de landmacht nog afgedaan als gezeur van watjes.

Hij kan geen contact meer met zijn vrouw maken en wordt een lusteloze man. Hij slaagt niet meer voor fysieke tests en najaar 2004 zet het leger hem op straat. Zijn vrouw verlaat hem. „Zack vocht in drie jaar in twee oorlogen. Maar toen hij mentaal in de knoop zat, trok het leger meteen de handen van hem af.’’

Terug in New Orleans leidt Bowen het leven van een desperado. Een verweesde veteraan, altijd op zoek naar een nieuwe roes. Fuck it all and fucking no regrets.

Vlak voordat de orkaan Katrina zomer 2005 aan land komt, knoopt hij een relatie aan met dichteres Addie Hall, een jonge vrouw die in haar jeugd ernstig seksueel misbruikt is. Ze doorstaan samen de orkaan met behulp van een ruime voorraad drank, en als New Orleans bijkomt van de schok zijn ‘Zack & Addie’ een paar dagen lievelingen van de media. In bijna alle kranten worden ze geportretteerd als zonderlingen die in een periode van grote nood vrolijk weten te blijven.

Maar zodra de straatverlichting weer aangaat in het French Quarter en het leven iets van zijn normale ritme terugkrijgt, hervatten de twee hun depressieve bestaan in de anonimiteit. Ze ontwikkelen een giftige relatie. Een soort Sid & Nancy. „Het moest wel verkeerd aflopen.’’

Als de politie najaar 2006 in hun appartement de restanten van Addies lichaam gaat zoeken, zien ze hoe Zack Bowen kreten op de muur heeft gespoten, zoals: PLEASE HELP ME STOP THE PAIN.

„De vraag is natuurlijk: wat zegt het over ons dat wij zolang niet in staat zijn geweest deze moord te zien voor wat het is? Zack leefde lichtzinnig voordat hij naar Irak ging, dat was zijn enige misdaad. Maar toen hij zichzelf verloor, was hij ineens een monster, white trash, een zuiplap. Of mensen zeiden: hij heeft vast iets beestachtigs in Irak gedaan. Het interessante is dat ik dat zelf ook dacht. Maar ik heb alles nagetrokken, het is gewoon niet zo. Zack was geen beest.’’

Dat dit beeld toch zo dominant werd, komt volgens Brown ook door de crisis in de dagbladpers. Grote gebeurtenissen worden alleen nog maar met doorgeefjournalistiek verslagen: iedereen linkt naar dezelfde feiten op het web. „Zelfs de lokale krant had nauwelijks verslaggevers op de zaak. Ze schrijven er tegenwoordig vooral over luxe en lifestyle, niet over de straat.’’

Brad Pitt

Maar ook New Orleans speelde een rol in de verdoezeling van de werkelijkheid. Ethan Brown rijdt naar de Lower 9th Ward, de buurt die het zwaarst werd getroffen door Katrina. Aan de rand van de wijk heeft acteur Brad Pitt paalhuizen in pasteltinten gebouwd. Maar voor de rest is dit nog altijd een stilleven van vermorzelde huizen. Van de half miljoen inwoners uit 2005 zijn er 300.000 teruggekeerd, maar nog steeds is het woonoppervlak van de stad niet ingekrompen: een paradijs voor criminelen.

Het moordpercentage – 64 per 100.000 inwoners – is op afstand het hoogste van het land. „Het loopt op sinds Katrina en het begint nu de contouren van genocide te krijgen’’, zegt Brown. „Je hebt hier elke dag het gevoel dat het alleen maar erger zal worden. Toen ik begon met mijn onderzoek wilde niemand in de stad praten. Het frustreerde mij, maar het opende me ook de ogen. Mensen begrijpen goed dat de aanhoudende afslachtingen verband houden met Katrina. Zoals veteranen aan posttraumatische stress lijden, zo geldt dat ook voor veel bewoners die Katrina hebben overleefd. De moord van Zack bracht dat angstaanjagend dichtbij. Hij pleegde een vreselijke moord. Maar zijn wanhoop was niet uniek. Het is een wanhoop waar mensen in New Orleans zich diep in hun hart mee verwant voelen.’’

Ethan Brown: Shake the Devil Off. Henry Holt, 304 blz. € 25,-